Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX6291
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van de WAO-uitkering in een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/6554 WAO en 04/6536 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 november 2003, 99/1806 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 17 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 5 april 2006 waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daar het volgende aan toe.

Betrokkene ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 23 april 1999 is die uitkering met ingang van 1 september 1999 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 21 oktober 1999 (hierna: bestreden besluit 1) is het bezwaar van betrokkene tegen dat besluit ongegrond verklaard. In beroep tegen bestreden besluit 1 heeft betrokkene medische grieven, onderbouwd met rapporten van behandelend artsen, en grieven tegen de arbeidskundige en grondslag van bestreden besluit 1 naar voren gebracht.

De rechtbank heeft geconstateerd dat er blijkens de rapportages van twee verzekeringsartsen verschil van inzicht tussen hen bestond ten aanzien van de belastbaarheid van betrokkene en dat bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon geen rekening was gehouden met de informatie van de behandelend sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en psychiater van betrokkene.

De rechtbank heeft de psychiater N. van Loenen als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze rapporteerde op 28 oktober 2001 dat betrokkene zich tijdens het tweede gesprek opzettelijk had gedrogeerd en daarmee het onderzoek had bemoeilijkt. Nu Van Loenen had vernomen dat betrokkene fulltime werkte en dat dat redelijk ging, heeft hij geconcludeerd dat, zo er al een stoornis is, deze betrokkene niet invalideert, ook niet per 1 september 1999.

Omdat Van Loenen ook had gerapporteerd zich geen goed oordeel van betrokkene te hebben kunnen vormen, heeft de rechtbank vervolgens een tweede deskundigenonderzoek gelast. Daarop hebben psychiater in opleiding I.M. Brandsteder en psychiater G. Nabarro betrokkene onderzocht en van het onderzoek een rapport uitgebracht, gedateerd 6 maart 2003. Brandsteder en Nabarro constateerden bij betrokkene een depressieve stoornis en visusvermindering en konden zich vanuit medisch oogpunt verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van betrokkene, echter met dien verstande dat de psychische belastbaarheid is verminderd ten gevolge van de psychiatrische stoornis. In combinatie met een snellere vermoeibaarheid ten gevolge van zowel de psychische beperking als de stoornis van het gezichtsvermogen achtten zij betrokkene per de datum in geding niet in staat om 38 uur per week werkzaamheden te verrichten. Desgevraagd heeft de deskundige Nabarro nader toegelicht dat hij zich niet kon verenigen met het feit dat bij het toegestane arbeidspatroon met name wat betreft het aantal uren per dag/week en het item wisselende diensten geen beperkingen zijn opgenomen. Nu betrokkene lijdt aan een psychiatrische stoornis met als gevolg cognitieve en affectieve beperkingen, stoornissen in de lichaamsbeleving en in de impulscontrole, achterdocht, suďcidaliteit, slaapstoornissen en snelle vermoeibaarheid, acht Nabarro betrokkene niet voor een volle week belastbaar. Betrokkene kon bovendien geen functies verrichten waarin hij apparaten en/of machines zou moeten bedienen, omdat hij in verband met zijn ziekte medicijnen gebruikt die onder andere slaperigheid, trillende handen en visusstoornissen als bijwerking kunnen geven. Ook achtte Nabarro betrokkene niet in staat tot het uitoefenen van functies waarbij hij veel contact met anderen heeft, dit in verband met zijn impulsiviteit, opvliegendheid en prikkelbaarheid.

Mede gelet op de overige gedingstukken heeft de rechtbank geen grond gezien de bevindingen van Brandsteder en Nabarro voor onjuist te houden. Zij hebben naar het oordeel van de rechtbank hun conclusies, voorzover het hun vakgebied betreft, op overtuigende wijze toegelicht, terwijl deze namens appellant niet zijn weersproken. De rechtbank concludeert dat betrokkene met ingang van de datum in geding 1 september 1999 niet in staat kon worden geacht de hem voorgehouden functies gedurende 38 uur per week te vervullen en dat bestreden besluit 1 niet op een deugdelijke medische grondslag berust. Met bepalingen omtrent vergoeding van proceskosten, schadevergoeding en griffierecht heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Appellant heeft in hoger beroep rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 8 december 2003 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 januari 2004 en van 9 februari 2004 overgelegd, op grond waarvan appellant zijn standpunt dat betrokkene op 1 september 1999 in staat kon worden geacht gedurende 38 uur per week de hem voorgehouden functies te verrichten nader heeft onderbouwd en gehandhaafd.
Naar aanleiding van het verweerschrift en een nader schrijven van de gemachtigde van betrokkene heeft appellant het maatmanloon van betrokkene opnieuw berekend met als uitkomst een verlies aan verdiencapaciteit van 25,04%. Bij besluit op bezwaar van 23 november 2004 (hierna: bestreden besluit 2) is het bezwaar van betrokkene tegen het primaire besluit van 23 april 1999 in zoverre gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 25 tot 35%.

Op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, juncto artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) acht de Raad het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 mede gericht tegen bestreden besluit 2.

Op verzoek van de Raad heeft de deskundige Nabarro bij brief van 26 januari 2006 een reactie gegeven op eerdergenoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts. Hij is daarop puntsgewijs ingegaan en heeft zijn eerdere conclusies, uitvoerig gemotiveerd, gehandhaafd.

In een nader rapport van 7 februari 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts een commentaar op de reactie van Nabarro gegeven en zijn standpunt gehandhaafd dat er geen argumenten zijn voor een urenbeperking.

De gemachtigde van betrokkene heeft de Raad bericht zich in grote lijnen te kunnen vinden in de bevindingen van Nabarro en de Raad verzocht diens conclusies te volgen.

De Raad stelt vast dat er een verschil van inzicht blijft bestaan tussen de bezwaarverzekeringsarts en de door de rechtbank geraadpleegde deskundigen Brandsteder en Nabarro over de aard en ernst van de medische beperkingen van betrokkene en de gevolgen daarvan voor zijn belastbaarheid met arbeid. De Raad overweegt voorts dat Brandsteder en Nabarro hun onderzoek op zorgvuldige wijze hebben verricht en hun conclusies, ook na confrontatie met een uitvoerige reactie op hun rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, op consistente wijze nader hebben toegelicht en gehandhaafd.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat bestreden besluit 1 niet op een deugdelijke medische grondslag berust, nu onvoldoende rekening is gehouden met de psychische beperkingen van betrokkene. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 terecht om die reden vernietigd. Het hoger beroep van appellant treft geen doel.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Met betrekking tot bestreden besluit 2 overweegt de Raad dat dit eveneens voor vernietiging in aanmerking komt, nu dit op dezelfde, niet deugdelijk geachte medische grondslag berust als bestreden besluit 1. De Raad ziet overigens geen grond het in bestreden besluit 2 gewijzigde maatmanloon, dat overeenstemt met het door de gemachtigde van betrokkene berekende maatmanloon, voor onjuist te houden.

Appellant dient een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Bij de daaraan ten grondslag te leggen medische beoordeling dient appellant de beperkingen in aanmerking te nemen zoals Brandsteder en Nabarro die in hun rapporten hebben omschreven, met inbegrip van een urenbeperking.

Bij de voorbereiding van dat besluit zal appellant tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 161,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (verweerschrift).




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 161,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken 17 mei 2006.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x