Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX6569
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Besluit tot niet uitbetalen van de WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid en besluit tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/5719 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 oktober 2003, WAO 02/777, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nader een getuigenverklaring ingebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door [betrokkene 2], accountant- en administratieconsulent. Het Uwv is niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij (nader) besluit op bezwaar van 29 mei 2002 (bestreden besluit) heeft het Uwv gehandhaafd het besluit van 30 juli 1999 waarbij is besloten de ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant laatstelijk per 3 december 1990 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% toegekende uitkering wegens inkomsten (als zelfstandige) uit arbeid over 1998 niet uit te betalen.
Bij dat nadere besluit op bezwaar heeft het Uwv tevens gehandhaafd het besluit van 4 augustus 1999 waarbij een bedrag van f 9.894,13 (€ 4.489,76) van appellant is teruggevorderd wegens over 1998 ten onrechte teveel aan hem betaalde WAO-uitkering.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat wat 1998 betreft dient te worden uitgegaan van het in de jaarrekening 1998 vermelde winstaandeel minus de zogeheten AA-premies. Aangezien de mate van zijn arbeidsongeschiktheid dusdoende 25-35% (om exact te zijn 25,54%) bedraagt, is per 1 januari 1998 2 klassen teveel op de aan hem toegekende WAO-uitkering gekort en is bijgevolg het bedrag van de terugvordering te hoog gesteld.

De rechtbank heeft het beroep van appellant wat de beide onderdelen betreft ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat het Uwv appellants inkomsten uit arbeid in 1998 juist heeft vastgesteld door de fiscaal voorgeschreven bijtelling voor privé-gebruik van zijn dienstauto tot appellants inkomen te rekenen.
Voorts heeft de rechtbank appellants standpunt dat het door het Uwv gehanteerde (geïndexeerde) maatmaninkomen onjuist is, wegens strijd met de goede procesorde niet in haar beoordeling van het bestreden besluit betrokken, omdat het tardief is ingebracht, immers, het Uwv heeft niet meer adequaat kunnen reageren op dat eerst ter zitting kenbaar gemaakte standpunt, waarbij nog komt dat niet is gebleken dat appellant dat argument niet eerder heeft kunnen aanvoeren.

In hoger beroep tegen die uitspraak heeft appellant primair betoogd dat hij niet eerder dan ter zitting van de rechtbank in staat is geweest aan te voeren dat, indien met het privé-gebruik van de auto van de zaak rekening wordt gehouden bij de vaststelling van zijn winstaandeel over 1998, met dat gebruik ook rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van het maatmaninkomen over 1998 en bij wege van herziening alsnog over de jaren 1983 tot en met 1997. Bij zijn toenmalige werkgever Nikro B.V. had hij immers ook de beschikking over een auto van de zaak voor privé-gebruik. Subsidiair heeft appellant gesteld dat over 1998 het maatmaninkomen dient te worden gesteld op f 64.447,--, zodat bij een winstaandeel van f 47.985,-- de mate van arbeidsongeschiktheid 25-35% bedraagt.

De Raad deelt appellants standpunt niet en overweegt als volgt.

Het door appellant aangevochten besluit van 30 juli 1999 is een vervolg op de aan appellant gerichte brief van de wetstechnisch beoordelaar van 21 juli 1999. In die brief is vermeld dat voor 1998 is uitgegaan van een winst van f 56.802,-- (waarvan nog f 965,63 aan zogeheten AA-premies moest worden afgetrokken om te komen tot het uurloon dat ter berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vergeleken met het maatmaninkomen), welk bedrag is overgenomen uit de door appellant op verzoek van het Uwv overgelegde, door voornoemde [betrokkene 2] opgestelde jaarrekening 1998, waarin dat bedrag is vermeld als fiscaal resultaat ná bijtelling (van 20% van f 52.990,--) voor privé-gebruik van een auto van de zaak. Dáárover kan géén misverstand bestaan en dat bedrag is door het Uwv dan ook terecht in aanmerking genomen bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Appellant heeft voorts gesteld dat, indien bij die berekening over 1998 aan de ene kant wordt uitgegaan van f 56.802,--aan inkomsten, aan de andere kant - die van het maatmaninkomen - door middel van alsnog bijtelling rekening dient te worden gehouden met de waarde van het privé-gebruik van de auto van de zaak, die destijds door de toenmalige werkgever aan hem ter beschikking was gesteld.

Naar het oordeel van de Raad is appellant er evenwel niet in geslaagd om met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk te maken dat hij toentertijd gebruik heeft gemaakt van een auto van de zaak voor privé-gebruik. De enkele door appellant in hoger beroep ter onderbouwing van zijn evenvermelde stelling overgelegde ongedateerde verklaring van [betrokkene] te [woonplaats] dat deze toentertijd bij Nikro B.V. een naaste collega van appellant was en dat appellant een auto, te weten een Opel Kadett Hatchback (D-model), van die werkgever ter beschikking had die hij van die werkgever voor privé-doeleinden mocht gebruiken en ook daadwerkelijk gebruikte, is veel te mager om te kunnen overtuigen. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat het Uwv bij zijn tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% leidende berekening ten onrechte van het naar 1998 geïndexeerde maatmaninkomen van f 64.447,-- is uitgegaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak, óók wat de impliciet aangevochten terugvordering betreft, dient te worden bevestigd.
Termen voor een proceskostenveroordeling zijn niet aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x