Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX6801
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ingangsdatum van de WAO-uitkering. Vastgestelde beperkingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1596 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Hertogenbosch van 9 februari 2004, 02/2864 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 19 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2006. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. W.H.M. Francken, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene is op 9 juni 1998 gaan werken als sorteerder kledinghangers. Dit is een staande functie met hoog frequent reiken tot 70 cm tot 700 keer per uur tot boven schouderhoogte. Op 3 februari 1999 is zij in deze functie uitgevallen wegens nek- en schouderklachten. Op 14 juni 1999 is betrokkene werkzaamheden gaan verrichten als inpakster van frikadellen. Dit is eveneens een staande functie met reiken tijdens 4 werkuren 1400 keer beiderzijds tot maximaal 70 cm, met kortcyclisch buigen tijdens 4 werkuren 300 maal ongeveer 60 graden achtereen, tillen/dragen tot 2 kg en boven schouderhoogte actief zijn ongeveer 120 maal per uur steeds enkele seconden.
Vervolgens is zij op 27 oktober 1999 opnieuw uitgevallen wegens nek- en schouderklachten.

Bij besluit van 31 mei 2001 is aan betrokkene met ingang van 25 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Het dagloon is vastgesteld op f 66,86.

Bij besluiten van 31 oktober 2001 zijn aan betrokkene met ingang van 6 augustus 1999 uitkeringen ingevolge de WAO en de Toeslagenwet (TW) toegekend. Het dagloon is vastgesteld op f 15,32. Het besluit van 31 mei 2001 is ingetrokken.

Bij besluit van 17 april 2002 heeft appellant de besluiten van 31 oktober 2001 ingetrokken en aan betrokkene met ingang van 21 maart 2002 een WAO-uitkering toegekend. Het dagloon is vastgesteld op 14,74.

Bij besluit van 17 september 2002 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de drie laatstgenoemde besluiten gegrond verklaard en haar met ingang van 2 februari 2000 een WAO-uitkering en een TW-toeslag toegekend. Daarbij is het dagloon vastgesteld op 15,64.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank s-Hertogenbosch het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Daarbij is overwogen dat niet gezegd kan worden dat betrokkene op 3 (lees: 2) februari 2000 onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest aangezien zij van 14 juni 1999 tot 27 oktober 1999 - zijnde meer dan 4 weken - heeft gewerkt.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 3 februari 1999 is, zodat de toekenning van de WAO-uitkering per 2 februari 2000 terecht is. De medische beperkingen van betrokkene zijn vanaf 3 februari 1999 52 weken onafgebroken aanwezig geweest. Appellant verwijst ter zake naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie van 10 juni 2002 en 1 maart 2004. Dat betrokkene tussentijds gedurende enige tijd nog werkzaamheden heeft verricht doet daaraan volgens appellant niets af.
Betrokkene heeft er op gewezen dat appellant de eerste arbeidsongeschiktheidsdag drie keer heeft gewijzigd, hetgeen tot grote onduidelijkheid heeft geleid. Voorts heeft betrokkene aangevoerd dat de werkzaamheden als frikadelleninpakster geen bovenhandse arbeid vereisen. Ten slotte heeft zij aangegeven dat op grond van artikel 19, tweede lid, van de WAO de ziekteperioden van 3 februari 1999 tot 14 juni 1999 en die vanaf 27 oktober 1999 niet mogen worden samengeteld.

De Raad overweegt als volgt.

Betrokkene heeft zich op 3 februari 1999 ziek gemeld vanwege nek- en schouderklachten. Na haar hervatting in juli 1999 heeft zij zich op 27 oktober van dat jaar opnieuw ziek gemeld vanwege nek- en schouderklachten. De Raad is van oordeel dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene in het kader van de WAO is aangevangen op 3 februari 1999 en vanaf die datum onafgebroken 52 weken heeft geduurd.
De Raad baseert zich voor dit oordeel op de rapportage van 10 juni 2002 van bezwaarverzekeringsarts Debie. Deze arts geeft aan dat betrokkene in februari 1999 voor het eerst klachten van schouders, nek en rug heeft geuit, waarbij gelet op de gevonden afwijkingen beperkingen zijn aan te nemen. De beperkingen zijn volgens deze arts sedertdien minimaal 52 weken onafgebroken aanwezig geweest gelet op de aard van de gevonden afwijkingen. Bij zijn standpunt heeft de bezwaarverzekeringsarts rekening gehouden met de informatie van de behandelend reumatoloog, G.J.M. van Veen,
van 15 februari 2000, die aangeeft dat er sprake is van forse degeneratieve afwijkingen van de cervicale wervelkolom en in mindere mate van de lumbale wervelkolom. Hij heeft betrokkene geadviseerd te proberen meer afwisseling te krijgen in haar werk. Debie heeft voorts aangegeven dat deze beperkingen ook bestonden bij aanvang van betrokkenes werkzaamheden als frikadelleninpakster. Betrokkene is binnen vier maanden uitgevallen met dezelfde klachten als voorheen, waarbij in die periode nog een vakantie van een maand viel. Daarnaast heeft betrokkene bij de arbeidsdeskundige J. Ligthart op 13 september 2000 en bij de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans op 30 januari 2001 aangegeven dat al vrij korte tijd na aanvang van haar werkzaamheden als frikadelleninpakster haar schouder- en rugklachten weer opspeelden. Gelet op de omschrijving van dit werk en de bestaande beperkingen acht Debie dit niet verwonderlijk.
De Raad wijst er voorts op dat ook de functie van frikadelleninpakster schouder- en nekbelastend is, nu daarin sprake is van veelvuldig reiken en boven schouderhoogte actief zijn. De stelling van betrokkene dat dit werk geen bovenhandse arbeid vereist is derhalve onjuist.

Betrokkene heeft aangevoerd dat zij van 14 juni tot 27 oktober 1999 heeft gewerkt, zodat de ziekteperiode met meer dan 4 weken onderbroken is geweest, hetgeen volgens betrokkene betekent dat de ziekteperioden niet bij elkaar geteld mogen worden. De Raad volgt deze stelling niet. De vraag of de wachttijd is vervuld vereist immers een zelfstandige beoordeling op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele werkhervattingen betrokken kunnen worden.
Gelet op de medische informatie, zoals hiervoor weergegeven, en de functiebelasting alsmede het feit dat betrokkene na vrij korte tijd ook in de functie van frikadelleninpakster klachten kreeg en na betrekkelijk korte tijd is uitgevallen, moet het standpunt van appellant dat sprake is van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid voor juist worden gehouden.
Dat betrokkene in die periode nog een aantal maanden gewerkt heeft, doet hieraan niet af, nu voldoende vast staat dat de beperkingen aan rug, schouders en nek zijn blijven bestaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt.
De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Aldus gegeven door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x