Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX7367
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Is de medische grondslag juist?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3051 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 april 2004, 02/3480 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. Driessen ter nadere motivering van het hoger beroep een aantal medische stukken overgelegd. Hierop heeft het Uwv in de hoedanigheid van bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Driessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.P.H.M. van Lieshout.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is werkzaam geweest als meubelstikster en is op 11 september 2000 voor haar werkzaamheden uitgevallen wegens psychosomatische klachten in combinatie met problemen in de huiselijke sfeer.

Appellante ontving met ingang van 10 september 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 14 mei 2002 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 22 mei 2002 ingetrokken, onder de overweging dat appellante op 22 mei 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 24 mei 2002, dus twee dagen nadat appellante haar werkzaamheden had hervat, heeft zij zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld.
Bij besluit van 15 juli 2002 heeft het Uwv geweigerd de uitkering ingevolge de WAO te heropenen onder de overweging dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 24 mei 2002 niet is toegenomen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is uitvoerig uiteengezet waarom de rechtbank zich heeft kunnen verenigen met het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch oordeel dat de gezondheidssituatie van appellante op 24 mei 2002 niet was gewijzigd ten opzichte van die op 22 mei 2002.

Hetgeen appellante in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak naar voren heeft gebracht, komt in hoofdzaak neer op een herhaling van de reeds bij de rechtbank aangevoerde en in de aangevallen uitspraak besproken grieven omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit.

De Raad kan zich, mede in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, verenigen met het oordeel en de motivering daarvan door de rechtbank. Hij maakt dat oordeel en de motivering ervan tot het zijne.

Naar aanleiding van de in hoger beroep overgelegde medische stukken overweegt de Raad als volgt.

Al eerder heeft de Raad overwogen dat in de onderscheiden arbeidsongeschiktheidswetten - voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

De Raad overweegt dat appellante onveranderd klachten heeft van psychosomatische aard in combinatie met problemen in de huiselijke sfeer. Dit kan niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek waardoor appellante op 24 mei 2002 niet meer in staat is om arbeid te verrichten. De Raad concludeert voorts dat uit de stukken blijkt dat de door appellante ondergane knieoperatie heeft plaatsgevonden een jaar na de datum in geding, dat de relevantie van het grote aantal door de gemachtigde van appellante overgelegde stukken zonder nadere adstructie onduidelijk is zodat hieraan niet de door appellante kennelijk gewenste betekenis kan worden gehecht.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x