Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX7456
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting met behulp van het CBBS. Motivering. Instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/682 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 december 2003, 03/509 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting op 24 januari 2006, waar voor appellant is verschenen A.C.M. van de Pol en waar voor betrokkene is verschenen mr. A. van Deuzen voornoemd.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 11 april 2006, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 27 juni 2002 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 28 augustus 2002 ingetrokken, onder overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Namens betrokkene is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 januari 2003 heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 29 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard en is dit besluit vernietigd. Aan appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts is appellant veroordeeld tot vergoeding van de door betrokkene gemaakte proceskosten en het door hem betaalde griffierecht.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat betrokkene op 28 augustus 2002, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van het zogeheten mediane loon van de aan betrokkene voorgehouden functies met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens appellant in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 15%.

De rechtbank is ervan uitgegaan dat de voor betrokkene in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangegeven beperkingen ten gevolge van zijn rug- en knieklachten op de juiste wijze zijn aangegeven. Dit geldt echter volgens de rechtbank niet voor de liesklachten van betrokkene. De rechtbank heeft hierover in de aangevallen uitspraak, waarin betrokkene is aangeduid als eiser en appellant als verweerder, het volgende overwogen:

"Namens eiser is aangevoerd dat ten onrechte in de FML geen rekening is gehouden met zijn liesklachten. De rechtbank overweegt dat het erop lijkt dat de verzekeringsarts E.M.E. van der Werf-Huysmans in haar rapportages van 21 maart 2002 en 6 juni 2002 geen beperkingen ten gevolge van de liesklachten van eiser heeft aangenomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich eveneens op het standpunt gesteld dat de liesklachten niet leiden tot beperkingen. Echter, in de FML is onder het kopje “Dynamische handelingen” bij het punt knielen of hurken een beperking aangenomen, waarbij de verzekeringsarts als toelichting ‘pijn in de lies en knieklachten’ heeft gegeven. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bij de functie van meettechnicus aangegeven dat de functie niet passend is voor eiser, omdat eiser substantieel beperkt is op knielen wegens pijn in de lies. Derhalve is het voor de rechtbank niet inzichtelijk of ten aanzien van de liesklachten nu al dan niet beperkingen zijn aangenomen. Indien verweerder zich op het standpunt stelt dat met betrekking tot de liesklachten geen sprake is van beperkingen, dan is deze redenering naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd, aangezien noch in het rapport van de verzekeringsarts, noch in andere stukken, is uiteengezet waarom de liesklachten niet tot beperkingen leiden. Indien wel beperkingen dienen te worden aangenomen is het onvoldoende duidelijk welke beperkingen dat zijn en onvoldoende gemotiveerd waarom geen verdergaande beperkingen dienen te worden aangenomen. Derhalve dient de bestreden beschikking vernietigd te worden wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb."

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de stukken wel degelijk blijkt dat zowel de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts de liesklachten van betrokkene hebben onderkend en daarmee bij het vaststellen van zijn beperkingen en mogelijkheden rekening hebben gehouden. In een bij het beroepschrift gevoegd rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 februari 2004 wordt aangegeven dat de liesklachten ertoe hebben geleid dat er beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van het langdurig achtereen zitten en ten aanzien van knielen en hurken.

Nadien heeft appellant in reactie op een vraag van de Raad daarover nog een uitvoerige schriftelijke toelichting gegeven op de functieselectie uit het zogenaamde claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS). Omdat die stukken eerst kort voor de zitting van 24 januari 2006, namelijk op 19 en 20 januari 2006, zijn ingezonden en de gemachtigde van betrokkene ter zitting heeft aangegeven daarop niet direct te kunnen reageren is de zaak aangehouden. Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad de gemachtigde van betrokkene in de gelegenheid gesteld om alsnog op die stukken te reageren. Van die gelegenheid is gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 16 maart 2006 commentaar gegeven op die reactie, wat tenslotte weer heeft geleid tot een nadere reactie van de gemachtigde van betrokkene.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad onderschrijft de stelling van appellant dat wel degelijk met de liesklachten van betrokkene rekening is gehouden. In de rapportage van de verzekeringsarts worden die klachten vermeld en ook in de toelichting bij de FML worden bij enkele punten de pijnklachten aan de lies specifiek benoemd. Uit de beschikbare stukken komt echter naar voren dat, hoewel de liesklachten zijn meegewogen, deze niet leiden tot verdergaande beperkingen dan de beperkingen die al waren aangenomen bij de voorgaande schatting in 1997 en die het gevolg waren van de rug- en knieklachten.

De Raad acht het hoger beroep van appellant in zoverre gegrond. De Raad is evenwel van oordeel dat het bestreden besluit om de hierna volgende reden dient te worden vernietigd.

De mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is bepaald met behulp van het CBBS. Ten aanzien van dit systeem heeft de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) overwogen dat hem niet gebleken is van redenen om het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten maar dat er, omdat dit systeem een aantal onvolkomenheden bevat, hoge eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep het besluit alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten als het gaat om een besluit dat voor 1 juli 2005 is genomen. Vanaf die datum moeten de onvolkomenheden in het systeem zijn opgelost.

Er is reeds voor het nemen van het primaire besluit van 27 juni 2002 overleg geweest tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige over punten waarbij de belasting is overschreden. Het rapport waarin van dit overleg verslag wordt gedaan is echter zeer summier, zodat hiermee niet is voldaan aan de hoge eisen die blijkens de hiervoor genoemde jurisprudentie aan de verslaglegging en motivering worden gesteld. In hoger beroep is alsnog in de op 19 en 20 januari 2006 ingezonden stukken een uitvoerige motivering gegeven. Nu de gemachtigde door aanhouding van de zaak na de zitting van 24 januari 2006 de gelegenheid heeft gehad om op die stukken te reageren is er naar het oordeel van de Raad geen beletsel om de in die stukken gegeven motivering in de beoordeling te betrekken.

Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de nadere toelichting in voldoende mate dat de aan betrokkene voorgehouden functies voor hem geschikt kunnen worden geacht. De bezwaren die de gemachtigde van betrokkene tegen die functies heeft aangevoerd en die met name betrekking hebben op de opleidings- en ervaringseisen zijn naar ’s Raads oordeel voldoende weerlegd in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 maart 2006. De Raad heeft daarbij onder andere in aanmerking genomen het niveau van de verschillende door appellant in de loop der tijd gevolgde en afgeronde opleidingen, zoals weergegeven in dit rapport. Namens appellant is nog aangevoerd dat de functie rayonmanager (artsenbezoeker) moet vervallen omdat voor die functie wordt verlangd dat men in het eigen rayon woont en betrokkene is gebonden aan zijn huidige woonplaats. Niet bekend is waar de werkgever is gevestigd. Van de zijde van het Uwv is daarover opgemerkt dat de feitelijke verkrijgbaarheid van de arbeid buiten beschouwing blijft en dat het “ter plaatse waar criterium” (zoals dat vóór 1 januari 1987 gold) niet meer van toepassing is. De Raad onderschrijft dat standpunt van het Uwv.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de (hoger) beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s Raads standpunt met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt voorzover daarbij het bestreden besluit is vernietigd en appellant is veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten en griffierecht. Omdat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven dient de aangevallen uitspraak evenwel te worden vernietigd voorzover daarbij opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 12,10 aan reiskosten en € 44,- aan verletkosten in hoger beroep, in totaal € 861,10.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het bestreden besluit is vernietigd en appellant daarbij is veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten en griffierecht;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij aan appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten, reiskosten en verletkosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 861,10, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2006.
          
(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x