Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX7476
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De werkgever komt in recht op tegen de toekenning aan zijn ex-werknemer van een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Er is niet voldaan aan de eisen van een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering van het besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2904 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 april 2004, 03/2570 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft J.J. Tabak, werkzaam bij de Fiscount Adviesgroep te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2006. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J. Tabak voornoemd. Voor het Uwv is verschenen M.L. Turnhout.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 1 juli 2002 heeft het Uwv aan [naam werknemer], voorheen werkzaam bij appellante (hierna: de werknemer) met ingang van 18 september 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De werknemer heeft desgevraagd schriftelijk medegedeeld niet als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen. Voorts heeft hij daarbij geen toestemming gegeven om zijn medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

De Raad heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de gemachtigde van appellante bijzondere toestemming verleend om kennis te nemen van het door het Uwv in hoger beroep ingezonden rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 17 augustus 2004. Ten aanzien van de overige medische stukken in het dossier was al eerder door de rechtbank toepassing gegeven aan het genoemde artikel.

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden, alsmede een weergave van het toepasselijke wettelijk kader.

"In artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) wordt de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek. Ingevolge het tweede lid van het Schattingsbesluit kan van het arbeidskundig onderzoek worden afgezien indien er - kort gezegd - uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden meer heeft of dat hij de nog aanwezige benutbare mogelijkheden naar verwachting binnen drie maanden zal verliezen.
In artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit zijn benutbare mogelijkheden als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid alleen dan niet aanwezig indien
a. de betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) erkende instelling (...);
(...);
(...); of
d. betrokkene in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.
De werknemer is op 1 oktober 1998 bij eiseres in dienst getreden en was werkzaam als analist/programmeur. De werknemer is op 10 september 2001 voor dit werk uitgevallen. Om de mate van arbeidsongeschiktheid bij het einde van de wachttijd van 52 weken te bepalen heeft de verzekeringsarts op 21 juni 2002 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Op basis van dit onderzoek en de informatie van de behandelend psychiater is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de werknemer geen duurzaam te benutten mogelijkheden heeft. In overeenstemming met dit advies heeft verweerder de werknemer met ingang van 18 september 2002 volledig arbeidsongeschikt geacht en hem een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Verweerder heeft zijn standpunt dat de werknemer 80 tot 100% arbeidsongeschikt is, gebaseerd op het feit dat er geen sprake is van benutbare mogelijkheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Schattingsbesluit. Aan dit standpunt heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de verzekeringsarts in zijn rapport van 21 juni 2002 heeft vastgesteld dat de werknemer binnen drie maanden na die datum een deeltijdbehandeling moet ondergaan die drie ŗ zes dagdelen per week in beslag neemt. Deze behandeling is volgens de verzekeringsarts dermate intensief dat de werknemer voorlopig niet in staat wordt geacht naast deze behandeling werkzaamheden te verrichten.
Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat naar zijn mening artikel 2, tweede lid onder d, van het Schattingsbesluit van toepassing is.
Eiseres heeft gemotiveerd aangevoerd dat uit de medische stukken niet blijkt dat de werknemer geen benutbare mogelijkheden heeft als bedoeld in artikel 2 van het Schattingsbesluit. Volgens haar heeft dan ook ten onrechte geen arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden."

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard op grond van de volgende overwegingen:

"Gelet op de beschikbare medische gegevens, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat in het geval van de werknemer is voldaan aan het criterium dat geen sprake is van duurzame benutbare mogelijkheden. Weliswaar is in dit geval - naar de letter van de wet - noch aan het in artikel 2, tweede lid onder a, noch onder d neergelegde criterium voldaan. Gelet op de zeer intensieve therapie tezamen met de door de verzekeringsarts weergegeven psychische problematiek, is de rechtbank echter van oordeel dat op grond van een combinatie van de punten a en d van artikel 2, tweede lid, van het Schattingsbesluit sprake is van het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden. Voor het oordeel dat, ook indien de betrokkene niet volledig is opgenomen in een ABWZ-inrichting, er onder bijzondere omstandigheden sprake kan zijn van geen duurzaam benutbare mogelijkheden vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 november 2003 nr. 01/1874. Verweerder heeft dan ook terecht het arbeidskundig onderzoek achterwege gelaten."

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante zijn eerdere stelling herhaald dat de verzekeringsarts volgens artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit slechts in een viertal als strikte uitzondering omschreven situaties mag concluderen dat de verzekerde geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en het opstellen van een belastbaarheidspatroon achterwege mag laten. In dit geval doet geen van de vier genoemde situaties zich voor. Er had dan ook volgens de gemachtigde een belastbaarheidspatroon opgesteld en een arbeidskundig onderzoek verricht moeten worden.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat de omstandigheid dat de werknemer gedurende een aantal dagdelen per week behandeld wordt strikt genomen niet onder een van de categorieŽn van artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit valt. De behandeling vindt weliswaar plaats in een op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten erkende instelling, maar de werknemer is daar niet opgenomen. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt echter, aldus deze gemachtigde, met zich mee dat de situatie waarin sprake is van een intensieve behandeling er wel onder te brengen is. Bij een nieuwe medische beoordeling is gebleken dat de behandeling 3 dagen per week in beslag heeft genomen en pas op 26 februari 2004 is beŽindigd.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kan op zichzelf het standpunt van het Uwv dat bepaalde situaties gelijk te stellen zijn met de situaties die worden genoemd in het Schattingsbesluit onderschrijven. De Raad acht het niet uitgesloten dat een intensieve behandeling - ook al vindt die behandeling niet elke dag plaats - een zodanig beslag legt op de tijd en energie van de betrokkene, dat er geen resterende mogelijkheden meer zijn om arbeid te verrichten. Daarbij zal niet alleen naar het tijdsbeslag van de behandeling zelf moeten worden gekeken, maar ook naar de lichamelijke en psychische invloed die de behandeling heeft op de betrokkene in de resterende tijd. In een dergelijke situatie mag echter van het Uwv worden verlangd dat hiernaar een zorgvuldig onderzoek wordt verricht en dat de beslissing om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen deugdelijk wordt gemotiveerd. Het vereiste van een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering geldt temeer in de situatie dat een derde, in casu de werkgever, belang heeft bij de beslissing over de WAO-uitkering. Voor de werkgever heeft de toekenning van een WAO-uitkering aan de ex-werknemer immers tot gevolg dat hij een hogere gedifferentieerde premie moet betalen. Indien bij de beslissing tot toekenning van de WAO-uitkering niet of niet voldoende aan deze eisen is voldaan, moet dit alsnog bij het nemen van de beslissing op bezwaar gebeuren.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv niet aan de eisen van een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering voldaan, zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De beslissing om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aanwezig te achten is gebaseerd op de mededeling van de werknemer aan de verzekeringsarts dat hij naar verwachting binnen drie maanden na diens onderzoek op 21 juni 2002 met een intensieve dagbehandeling zou gaan beginnen die 3 ŗ 6 dagdelen in beslag zou nemen. Naderhand heeft de verzekeringsarts van de behandelend psychiater vernomen dat de deeltijdbehandeling op 8 juli 2002 is gestart. Een verdere omvang is niet nader gemeld. Een zorgvuldig onderzoek zou naar het oordeel van de Raad met zich mee hebben gebracht dat de verzekeringsarts zich door de psychiater van nadere details over de behandeling op de hoogte had laten stellen, zoals de inhoud van die behandeling, de precieze omvang daarvan en de periode waarover die behandeling zich naar verwachting zou gaan uitstrekken. De mededelingen die de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad daarover heeft gedaan kunnen niet leiden tot de conclusie dat het - naar ís Raads oordeel gebrekkige - onderzoek alsnog als zorgvuldig kan worden aangemerkt. De gemachtigde heeft die mededelingen niet met stukken onderbouwd, waardoor deze oncontroleerbaar zijn. Bovendien boden die mededelingen onvoldoende duidelijkheid over de situatie bij de aanvang van de behandeling. De gemachtigde van het Uwv kon desgevraagd niet met zekerheid bevestigen dat de behandeling al vanaf het begin drie hele dagen per week in beslag had genomen.

Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op Ä 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op Ä 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal Ä 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van Ä 409,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x