Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX7704
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Het onderzoek is niet onzorgvuldig geweest.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1221 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2004, 03/497 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge voornoemd.
Het Uwv heeft zich niet doen vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 in dienst geweest bij de Onderwijs begeleidingsdienst en is destijds voltijds werkzaam geweest als medewerkster van een peuterspeelzaal. Zij heeft zich per 13 maart 2000 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens diverse lichamelijke klachten, die door de huisarts psychisch werden geïnterpreteerd, arbeidsongeschikt gemeld.
Naar aanleiding hiervan is appellante gezien door een verzekeringsarts, die informatie heeft ingewonnen bij de Riagg, waar appellante onder behandeling was. Gelet op zijn onderzoeksbevindingen heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat de door de Riagg blijkens de brief van 18 mei 2001 bij appellante vastgestelde depressieve stoornis inmiddels was verbleekt en dat er geen aanwijzingen meer waren voor een vitaal depressief syndroom. De verzekeringsarts zag geen reden om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellante om ziekelijke redenen was verminderd.

Bij besluit van 9 juli 2001 is aan appellante in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, welke op 12 maart 2001 was verstrekt, geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, omdat zij niet arbeidsongeschikt werd geacht.

Namens appellant is tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. De na de hoorzitting door bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns geraadpleegde revalidatiearts H.J.R. Buijs, zag blijkens zijn brief van 1 oktober 2002 op zijn terrein geen aanknopingspunten voor het aannemen van beperkingen. Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts heeft ook E.F. van Ittersum, psychiater te Naaldwijk, advies uitgebracht. In zijn rapport van 5 december 2002 concludeerde deze specialist dat bij appellante ten tijde in geding sprake was van een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken, maar hij heeft bij haar geen objectieve beperkingen waargenomen.
Mede op basis van dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts, toetsend aan de richtlijn het “Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium”, vastgesteld dat bij appellante geen sprake was van beperkingen volgens de criteria van de WAO en dat zij derhalve niet ongeschikt was voor de maatgevende arbeid.

Bij besluit van 6 februari 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest en dat hetgeen namens appellante is aangevoerd geen reden geeft voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd volstaat de Raad met het navolgende.
In aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts medisch specialistisch advies heeft gevraagd, zowel somatisch als psychisch, terwijl de bezwaarverzekeringsarts zelf in overleg met appellante van lichamelijk onderzoek heeft afgezien, omdat zij geen actuele lichamelijke klachten aangaf, kan niet worden gezegd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.
Voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft verder op 18 juni 2004 gereageerd op het door de gemachtigde van appellante ingezonden rapport van 5 maart 2002 van A.H. Gerards, reumatoloog te Vlaardingen. In dat commentaar merkt deze bezwaarverzekeringsarts op dat de bevindingen van de reumatoloog een na de datum in geding ontstane ontsteking van de rechter knie van appellante betreffen en dat er geen concrete afwijkingen zijn aangetroffen die concorderen met de door appellante in de deze procedure gepresenteerde klachten of het geclaimde onvermogen.
In de nadere reactie van 5 april 2006 van mw. Verhage, directrice van Instituut Psychosofia, ziet de Raad geen reden om voormeld commentaar van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken.
Het nadere rapport van 13 april 2006 van bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest, dat met instemming van de gemachtigde van appellante in de beoordeling wordt betrokken, bevat weer een commentaar op het standpunt van mw. Verhage voornoemd. De reactie op dit laatste rapport door mw. Verhage voornoemd, neergelegd in haar als pleitnota beschouwde brief van 18 april 2006, vormt voor de Raad - gezien het eerder overwogene - geen reden het standpunt van het Uwv voor onjuist te houden.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x