Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX7788
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Had betrokkene meer medische beperkingen ten tijde in geding dan was aangenomen?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/3966 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[adres], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2003, 01/2139 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. C.A.J.M. Snijders, advocaat te Boxtel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2006.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Snijders, voornoemd.
Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.H. Nuyens.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 26 oktober 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het oordeel van de door haar ingeschakelde psychiater N.J. de Mooij gevolgd.

Appellant heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat zijn behandelend psychiater drs. C.M. Boek wel spreekt van een depressie en dat diens reactie van 9 mei 2003 op het rapport van De Mooij door de rechtbank, alvorens tot een oordeel te komen, aan laatstgenoemde had moeten worden voorgelegd. Appellant heeft in hoger beroep een rapportage van Lander Werk en Integratie in verband met de uitvoering van de Algemene bijstandswet van 20 februari 2004 overgelegd. Hij heeft er op gewezen dat uit deze informatie blijkt dat sprake is van meer medische beperkingen en dat het redelijk is er van uit te gaan dat zijn medische toestand op de datum in geding dezelfde was als ten tijde van het opmaken van die rapportage.
Het Uwv heeft middels zijn bezwaarverzekeringsarts gereageerd.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant ten tijde in geding (1 januari 2001) meer medische beperkingen had dan het Uwv blijkens de verwoording belastbaarheid van 15 november 2000 heeft aangenomen.

De Raad overweegt als volgt.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen.
Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De door de rechtbank ingeschakelde psychiater De Mooij heeft informatie ingewonnen bij appellants behandelend psychiater Boek en deze informatie bij zijn oordeel betrokken. Dat Boek in reactie op het rapport van De Mooij spreekt van een forse depressie leidt niet tot een ander oordeel, nu appellant pas anderhalf jaar na de datum in geding bij Boek in behandeling is gekomen en Boek zijn conclusie niet heeft onderbouwd. Evenmin kan aan het rapport van Lander Werk en Integratie de betekenis worden toegekend die appellant daaraan toekent; ook deze rapportage ziet niet op de datum in geding en is niet gemaakt in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Appellants stelling dat het redelijk is er van uit te gaan dat zijn medische situatie op 20 februari 2004 dezelfde is als op de datum in geding wordt door de Raad niet gedeeld nu deze stelling op geen enkele manier is onderbouwd.
De Raad wijst er op dat, anders dan appellant ter zitting heeft aangevoerd, noch in het bezwaarschrift noch in het aanvullend bezwaarschrift psychische klachten worden genoemd. De psychische klachten worden voor het eerst gemeld in de brief van A. Erikli, arts bij de Gelderse Roos Rivierenland, van 4 juli 2001. Uit die brief blijkt dat tijdens het consult op 27 april 2001 depressieve verschijnselen zijn waargenomen. Dat is bijna vier maanden na de datum in geding; van het bestaan van eerdere psychische klachten of verschijnselen is de Raad niet gebleken.

De Raad is voorts van oordeel dat de belasting van de voor appellant geselecteerde functies zijn belastbaarheid niet overschrijdt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x