Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8448
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van een in rechte vaststaand WAO-dagloon. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2792 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[adres], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 27 november 2003 heeft gedaagde de bezwaren namens appellant tegen het besluit van 17 oktober 2003, waarbij gedaagde het namens appellant gedane verzoek om terug te komen van het besluit van 1 december 1975 heeft afgewezen, ongegrond verklaard.

De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 16 april 2004 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is zijn zoon de heer [naam zoon] op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden, nader aangevuld bij brief van 10 augustus 2004, tegen die uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 november 2005, waar alleen gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Th. Martens, werkzaam bij het Uwv. Na behandeling van het geding ter zitting is de Raad gebleken dat de gemachtigde van appellant voornoemd, ten gevolge van een auto-ongeval niet in de gelegenheid was geweest tijdig ter zitting van de Raad te verschijnen, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 december 2005, waar voor appellant - daartoe opgeroepen - is verschenen zijn gemachtigde [naam zoon], terwijl gedaagde - daartoe opgeroepen - zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Th. Martens voornoemd.




II. MOTIVERING


De door de rechtbank vermelde feiten worden door partijen niet betwist. De Raad volstaat op dat punt met een verwijzing naar de aangevallen uitspraak.

In geschil is de vraag of gedaagde op goede gronden heeft geweigerd terug te komen van het tussen partijen in rechte vaststaande WAO-dagloon.

Laatstelijk bij besluit van 1 december 1975 heeft gedaagde het WAO-dagloon van appellant vastgesteld. Als gevolg van de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank van 17 december 1992, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, is dat besluit rechtens onaantastbaar geworden. Dat neemt niet weg dat appellant gedaagde kan verzoeken terug te komen van dat besluit. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Bij zijn thans vierde verzoek hiertoe heeft appellant als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid gesteld dat zijn dagloon op 30 oktober 1972 is vastgesteld op f 48,27 hetgeen bij 43,75 uur per week neerkomt op een weekloon van f 241,35 en dienaangaande een verklaring overgelegd van de heer [C. de V.]. Tevens is hij van mening dat gedaagde ten onrechte de uitkering heeft gekort met een percentage van 5%.

De Raad is met de rechtbank en met overneming van de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden, van oordeel dat dit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin zijn.

Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 1 december 1975. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x