Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8495
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van de premiedifferentiatie.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6173 WAO, 05/6174 WAO en 05/6175 WAO




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2005, 03/3373, 04/1158 en 05/2050 (hierna: aangevallen uitspraken),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. L.K. Wouters, Federatie-belastingadviseur te Tilburg, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 18 mei 2006, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 26 november 2002 heeft het Uwv de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het jaar 2003 vastgesteld op 4,17%. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 oktober 2003 ongegrond verklaard. Bij besluit van 15 december 2003 heeft het Uwv de gedifferentieerde premie ingevolge de WAO voor het jaar 2004 vastgesteld op 3,21%. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 maart 2004 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft voor 2003 en 2004 de hoogte van de premie mede gebaseerd op aan de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] betaalde WAO-uitkeringen. Bij besluit van 6 december 2004 heeft het Uwv de gedifferentieerde premie ingevolge de WAO voor het jaar 2005 vastgesteld op 1,12%. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 mei 2005 ongegrond verklaard. Voor 2005 is de hoogte van de premie mede gebaseerd op een aan de heer [betrokkene 1] betaalde WAO-uitkering.

Bij besluiten van 8 juli 2005 heeft het Uwv de vastgestelde premies voor de jaren 2003 en 2004 in verband met een uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 13 juli 2004 betreffende de WAO-uitkering van de heer [betrokkene 2] naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van appellante op grond van het vertrouwensbeginsel in die zin herzien, dat geen rekening wordt gehouden met de aan de heer [betrokkene 2] uitbetaalde WAO-uitkering.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen tegen de hiervoor vermelde besluiten op bezwaar ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van deze uitspraken gemotiveerd bestreden. Zij heeft zich daarbij beroepen op het vertrouwensbeginsel en voorts gesteld dat artikel 6 van het Besluit premiedifferentiatie WAO toepassing mist, omdat geen sprake is van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitbetaalde WAO-uitkering, op grond waarvan op grond van artikel 6 van genoemd besluit verrekening zou moeten plaatsvinden op het moment van herziening, maar slechts de toerekening van de WAO-uitkering ten onrechte heeft plaatsgevonden. Volgens appellante is ten aanzien van de heer [betrokkene 1] ten onrechte artikel 43a van de WAO niet toegepast.

Bij zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 3 november 2005, LJN AU6336, betreffende de vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO voor de jaren 2001 en 2002, heeft de Raad geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen en dat de grief betreffende artikel 6 van voormeld besluit ziet op de ingangsdatum van de WAO-uitkering, waarover de Raad eerder, bij zijn uitspraken van 4 december 2003, LJN AO0381, en van 19 mei 2004, LJN AP1681, heeft geoordeeld dat een dergelijke grief in een geding over de vaststelling van de gedifferentieerde premie niet kan leiden tot een gegrondverklaring van bezwaren of het (hoger) beroep tegen die vaststelling. De Raad ziet geen grond om in de onderhavige gedingen, welke de premiejaren 2003, 2004 en 2005 betreffen en waarin sprake is van hetzelfde feitencomplex en dezelfde beroepsgronden, tot een andersluidend oordeel te komen.

Gezien het voorgaande slagen de hoger beroepen niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x