Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8497
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vernietiging van het bestreden besluit wegens het ontbreken van een voldoende arbeidskundige grondslag.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2004 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 24 maart 2004, 03/3425 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Samama voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff. Als tolk heeft appellante meegenomen de heer E. Battaloglu.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is op 19 november 2001 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet uitgevallen met psychische klachten, alsmede rechter armklachten en angstklachten.

Bij besluit van 24 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het namens appellante gemaakte bezwaar tegen zijn besluit van 12 november 2002 waarbij hij heeft geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 20 november 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante zijn in hoger beroep zowel grieven tegen de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd.

Voor wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting volstaat de Raad met de constatering dat mr. De Graaff ter zitting heeft aangegeven dat het Uwv het bestreden besluit wegens het ontbreken van een voldoende arbeidskundige grondslag niet handhaaft. Reeds hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd.

Ter voorlichting van appellante merkt de Raad hier op dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar zal nemen, zodat het hiervoor gegeven oordeel nog niet meebrengt dat zij recht op uitkering ingevolge de WAO zal kunnen doen gelden.

Met het oog op de nog te nemen nieuwe beslissing op bezwaar ziet de Raad aanleiding thans zijn oordeel voor wat betreft de medische kant van de schatting te geven.

Namens appellante is - evenals in beroep - naar voren gebracht dat het Uwv onvoldoende medische gegevens had om zijn beslissing op te baseren, nu het Uwv zelf immers van mening was dat er een expertise verricht moest worden door psychiater J.A.H. Koelen te Aerdenhout.

In navolging van hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen oordeelt de Raad dat het Uwv voldoende zorgvuldig heeft gehandeld door het bestreden besluit op de voorhanden zijnde gegevens te baseren.

De bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger concludeerde in zijn rapportage van 27 januari 2003 dat er aanvullende informatie bij de huisarts moest worden opgevraagd. Na ontvangst van deze gegevens heeft hij besloten een psychiatrische expertise aan te vragen om onnodige discussie tussen gemachtigde, curatieve sector, betrokkene en verweerder te voorkomen. In zijn rapportage van 1 juli 2003 heeft hij vervolgens gemotiveerd aangegeven waarom hij zich in staat acht de zaak naar eigen bevindingen af te doen en dat hij daarbij geen reden ziet te twijfelen aan de waarde van de door de verzekeringsarts op de functionele mogelijkhedenlijst aangegeven beperkingen.

Nu ook in hoger beroep appellante geen (andersluidende) medische gegevens heeft overgelegd, ziet de Raad geen reden voor twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van de onderwerpelijke arbeidsongeschiktheidschatting.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x