Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8565
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van het bedrag aan terug te vorderen onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Vernietiging van het bestreden besluit wegens ondeugdelijke motivering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1669 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 februari 2004, 03/2125 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. van Harmelen voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, voormalig timmerman, ontving sedert 11 oktober 1979 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (hierna: de WAO-uitkering).

Uit een ingesteld onderzoek in verband met het vermoeden van fraude is gebleken dat appellant werkzaamheden als timmerman heeft verricht in de periode van 11 januari 1988 tot en met 31 oktober 1997 en dat hij daarvan, en van de inkomsten die hij uit deze werkzaamheden heeft ontvangen, geen melding heeft gemaakt bij het Uwv.
Het onderzoek heeft geleid tot het besluit van 2 juni 1999 waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellant in verband met zijn inkomsten uit arbeid heeft herzien, per 11 januari 1988 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 % en per 1 augustus 1996 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Voorts heeft het Uwv vastgesteld welke inkomsten appellant in de periode van 11 januari 1988 tot en met 31 oktober 1997 in verband met zijn werkzaamheden als timmerman bruto per dag heeft genoten en bepaald over welke gespecificeerde tijdvakken gelegen in die periode de WAO-uitkering geheel dan wel gedeeltelijk niet dient te worden uitbetaald. Dit besluit is na gemaakt bezwaar bij besluit van 27 juni 2000 gehandhaafd. Het tegen het besluit van 27 juni 2000 ingestelde beroep is door de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 2 november 2001, nrs. 00/9032 en 01/1586, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het besluit van 27 juni 2000 thans in rechte vaststaat.

Vervolgens is het Uwv bij besluit van 5 december 2000 overgegaan tot het terugvorderen van hetgeen onverschuldigd aan appellant is uitgekeerd en heeft het besloten over de periode van 1 april 1993 tot en met 31 oktober 1997 van appellant een bedrag terug te vorderen van f 91.444,83 (€ 41.495, 85) bruto, inclusief overhevelingstoeslag.
Bij besluit van 22 april 2002 heeft het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant vastgesteld op een bedrag van € 487,64 per maand.

Bij brief van 29 januari 2003 heeft het Uwv het terug te vorderen bedrag nader gespecificeerd.

Het namens appellant tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 9 april 2003 onder handhaving van de besluiten van 5 december 2000 en 22 april 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de hoogte van het terug te vorderen bedrag alsmede tegen de hoogte van het maandelijks invorderingsbedrag. Kort samen gevat stelt appellant zich op het standpunt dat de berekening van deze bedragen onjuist is. Voorts heeft het Uwv bij het bepalen van appellants betalingscapaciteit onvoldoende rekening gehouden met bijzondere omstandigheden, zoals het feit dat appellant vanwege zijn maag- en darmziekte een duur dieet moet houden en is aangewezen op een dure particuliere ziektekostenverzekering.

Het Uwv stelt zich op het standpunt dat met de specificatie van 29 januari 2003 de hoogte van het terug te vorderen bedrag voldoende inzichtelijk is gemaakt. De door appellant aangedragen omstandigheden zijn geen factoren waar bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit rekening mee gehouden kan worden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat met het rechtens onaantastbaar geworden zijn van het besluit van 27 juni 2000, gegeven is dat het Uwv over de periode van 11 januari 1988 tot en met 31 oktober 1997 onverschuldigd WAO-uitkering aan appellant heeft uitbetaald. Het Uwv was derhalve bevoegd het over de periode van 1 april 1993 tot 1 augustus 1996 onverschuldigd betaalde terug te vorderen en verplicht het over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 31 oktober 1997 onverschuldigd betaalde terug te vorderen. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
Ten aanzien van de hoogte van het terug te vorderen bedrag is de Raad echter van oordeel dat de specificatie van de terugvordering van 29 januari 2003 bezien in relatie met de andere stukken, zoals het besluit van 2 juni 1999 en het besluit tot terugvordering van 5 december 2000, onvoldoende duidelijkheid verschaft. De Raad wijst in dit verband bijvoorbeeld op de in de stukken genoemde periode van 21 oktober 1996 tot en met 31 oktober 1997. In deze periode is blijkens het besluit van 2 juni 1999 de mate van arbeidsongeschiktheid herzien naar de klasse van 25 tot 35% en heeft er met toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO anticumulatie plaatsgevonden. Het in het terugvorderingbesluit van 5 december 2000 opgenomen bedrag dat over de drie in die periode vallende tijdvakken onverschuldigd zou zijn betaald, stemt echter niet overeen met de bedragen die met betrekking tot die periode zijn genoemd in de specificatie van 29 januari 2003 onder de kopjes ‘ontvangen’ en ‘recht op’. Gelet hierop kan getwijfeld worden aan de juistheid van de hoogte van het teruggevorderde bedrag.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Dat besluit dient dan ook wegens een ondeugdelijke motivering op grond van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.

Nu nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich uit te spreken over de door het Uwv bij het besluit van 22 april 2002 vastgestelde betalingscapaciteit per maand. Het Uwv zal daar bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht aan moeten besteden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. In totaal € 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit van 23 april 2004;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x