Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8570
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vergoeding van de door betrokkene in de bezwaarfase gemaakte kosten.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2443 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2004, 02/1992 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2006. Namens appellant is verschenen mr. W.C. de Jonge voornoemd. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet ter zitting laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Bij zijn oordeelvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is op 25 september 2000 door ziekte uitgevallen voor zijn werk als plaatwerker. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellant op een uitkering ingevolge de wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) na afloop van de wachttijd is appellant onderzocht door de verzekeringsarts B.C.M. Admiraal. Zij heeft, blijkens haar rapportage van 18 november 2001, bij appellant afwijkende bevindingen vastgesteld als gevolg van ziekte of gebrek en was van mening dat appellant aangewezen was op werkzaamheden die met name beperkt zijn te achten op energetische gronden. Vervolgens heeft zij een belastbaarheidspatroon opgesteld. Na onderzoek door de arbeidskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Bij besluit van 11 december 2001 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 24 september 2001 een uitkering op grond van de WAO toegekend conform het hiervoor genoemde arbeidsongeschiktheidspercentage.

Namens appellant heeft zijn gemachtigde mr. W.C. de Jonge bezwaar gemaakt. Ter onderbouwing van het bezwaar is een rapport, gedateerd 22 januari 2002, overgelegd dat is opgemaakt door mevrouw Verhage, directrice van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans. In een aanvullend bezwaarschrift heeft de gemachtigde van appellant het Uwv verzocht bij gegrondverklaring van het bezwaar, conform de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures, over te gaan tot vergoeding van de kosten in bezwaar, waaronder de kosten van de rapportage van mevrouw Verhage, groot 291,62.

De bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep is, zoals uit zijn rapportage van 10 juli 2002 blijkt, na onderzoek tot de conclusie gekomen dat er medische redenen waren om af te wijken van het primaire medische oordeel en appellant op en na de datum in geding niet in staat te achten om duurzaam arbeid te verrichten. Zijns inziens was het nog wat te vroeg om over te gaan tot een schatting in het kader van de WAO, omdat er met name twijfel was aan de duurzaamheid van de te verrichten arbeid. Die twijfel werd volgens Van der Stoep bevestigd door het feit dat appellant per 19 februari 2002 wederom geaccepteerd was in de Ziektewet.

Bij beslissing van 31 juli 2002 heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en besloten hem - onder gedeeltelijke herroeping van het besluit van 11 december 2001 - met ingang van 24 september 2001 een WAO-uitkering toe te kennen, vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met betrekking tot het verzoek van appellants gemachtigde de kosten in bezwaar te vergoeden conform de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures, heeft het Uwv besloten om op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van 644,- te vergoeden. Het verzoek om vergoeding van de kosten gemaakt door de eigen medisch adviseur van appellants gemachtigde is afgewezen. Naar de mening van het Uwv kon mevrouw Verhage niet aangemerkt worden als een geneeskundige zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid onder I, van de Wet tarieven in strafzaken.

Tegen de weigering van het Uwv appellant de kosten te vergoeden voor de door hem in bezwaar ingebrachte rapportage van mevrouw Verhage en het ontbreken van een beslissing over het vergoeden van de wettelijke rente, is namens appellant beroep ingesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures en dat niet langer in geschil was dat die wet in dit geval niet van toepassing was, aangezien het primaire besluit van 11 december 2001 dateerde, derhalve voor inwerkingtreding van de wet per 12 maart 2002. Ten aanzien van de vraag of de rechtsgevolgen in stand konden blijven en of het Uwv gehouden was de kosten te vergoeden die appellant heeft gemaakt voor de inschakeling van mevrouw Verhage, heeft de rechtbank bezien of analogische toepassing gegeven kon worden aan artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Daarbij was het volgens de rechtbank van belang of mevrouw Verhage is aan te merken als een (medisch) deskundige in de zin van die bepaling. Onder verwijzing naar de bij appellants gemachtigde bekende uitspraak van de Raad van 2 augustus 2002, nr. 02/1119 AAW, was de rechtbank van oordeel dat de rapportages die appellant heeft laten opmaken door mevrouw Verhage niet afkomstig waren van een medisch deskundige als hier bedoeld.
De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van de proceskosten van appellant en de teruggave van griffierecht.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen. Appellant stelt zich kort samengevat op het standpunt dat de kosten verbonden aan de rapportage van mevrouw Verhage wel voor vergoeding in aanmerking komen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat niet in geschil is dat ten tijde van belang de Wet bestuurlijke voorprocedures niet van toepassing was, zodat de in bezwaar gemaakte kosten niet vergoed konden worden op grond van het artikel 7:15 (nieuw) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft op deze grond het bestreden besluit dan ook terecht vernietigd.

Met betrekking tot het in stand laten van de rechtsgevolgen overweegt de Raad dat het in dit geval uitsluitend nog gaat om vergoeding van de kosten van het door appellant in de bezwaarfase ingebrachte rapport van mevrouw Verhage. Ter zitting is gebleken dat het Uwv de verzochte wettelijke rente heeft vergoed.
Ten tijde van belang was inzake de vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten het oude recht nog van toepassing. Volgens de vaste jurisprudentie die onder het oude recht is ontwikkeld dienen in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene te blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. In een geval als het onderhavige is voor vergoeding van de bedoelde kosten slechts plaats indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.

Gelet op het voorgaande komt de Raad, anders dan de rechtbank, in de onderhavige zaak eerst dan pas tot beantwoording van de vraag of mevrouw Verhage aangemerkt dient te worden als een (medisch) deskundige in de zin van aan artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb, indien hij eerst de voorliggende vraag of het Uwv het besluit van 11 december 2001 tegen beter weten in heeft genomen, bevestigend heeft beantwoord.

De gemachtigde van appellant heeft in verband hiermee desgevraagd ter zitting verklaard dat zij meent dat er sprake is van besluitvorming tegen beter weten in omdat de verzekeringsarts Admiraal een misslag heeft gemaakt door aan te nemen dat appellant in staat was duurzaam arbeid te verrichten. Gelet op appellants aandoening en hetgeen daaromtrent in de medische wetenschap bekend is, had zij beter moeten weten, aldus appellants gemachtigde.

Uit de rapportage van 18 november 2001 van de verzekeringsgeneeskundige Admiraal blijkt dat zij appellant persoonlijk heeft gezien, een uitvoerige anamnese heeft afgenomen en informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector, zodat niet gezegd kan worden dat het onderzoek door de verzekeringsarts niet zorgvuldig is geweest. Voorts is niet gebleken dat zij welbewust feiten en omstandigheden heeft genegeerd. Zij achtte structurele beperkingen aan de orde bij appellant die een positieve indruk op haar maakte na een ingrijpende en intensieve behandeling van een levensbedreigende aandoening.
Dat de bezwaarverzekeringsarts Stoep zich een ander beeld heeft gevormd dan de verzekeringsarts Admiraal, is mede het gevolg van de omstandigheid dat Stoep zijn oordeel tevens heeft gebaseerd op na het besluit van 11 december 2001 bekend geworden feiten en omstandigheden. Uit zijn rapportage van 10 juli 2002 blijkt namelijk dat appellant op 19 februari 2002 wederom geaccepteerd is in de Ziektewet en dat er toen sprake was van toename van moeheidsklachten na de chemokuur en van toename van psychische klachten door het niet accepteren van de ziekte.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat het primaire besluit van 11 december 2001 dermate ernstige gebreken vertoonde dat het Uwv daarbij tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.

Het hoger beroep slaag derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak - met verbetering van gronden - dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x