Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8667
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Hoogte van het vastgestelde dagloon. Vergoeding van de wettelijke rente.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4 WAO, 04/478 WAO en 06/416 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het bestuursorgaan).




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 december 2003, kenmerk 02/1886.

Ook het bestuursorgaan heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het standpunt van betrokkene is nader toegelicht bij brieven van 4 juni 2004 en 12 december 2005.

Het bestuursorgaan heeft een afschrift ingestuurd van het besluit van 19 januari 2006, waarop namens betrokkene is gereageerd bij brief van 23 januari 2006.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari 2006. Namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en namens het bestuursorgaan zijn verschenen F.P.L. Smeets en mr. R.G. Willems-Cremers, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Betrokkene werkte laatstelijk bij [naam BV] B.V. te [vestigingsplaats].
Bij besluit van 26 februari 1987 heeft het bestuursorgaan met ingang van 4 februari 1987 aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op f 146,02. In dit besluit heeft betrokkene berust.

Bij brief van 4 juni 2002 is namens betrokkene verzocht bij de berekening van het dagloon alsnog rekening te houden met de aan betrokkene betaalde reiskostenvergoeding buitenland, pensionkostentoeslag, zes extra reisdagen en extra vakantiedagen, waarbij tevens is verzocht om over de nabetaling wettelijke rente te vergoeden. Bij besluit van 10 september 2002 heeft het bestuursorgaan het WAO-dagloon van betrokkene met ingang van 4 februari 1987 alsnog vastgesteld op € 69,77. Daarbij is alsnog rekening gehouden met een reiskostenvergoeding buitenland van € 457,41 per jaar en een pensionkostentoeslag van € 20,95 per vier weken. In bezwaar is aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de zes extra reisdagen, extra vakantiedagen en andere toeslagen, zoals tintoeslag, CAO-toeslag, vuilwerktoeslag, overuren en met de vakantietoeslag over de reiskostenvergoeding buitenland en pensionkostentoeslag.

Bij besluit van 9 september 2002 heeft het bestuursorgaan aan betrokkene medegedeeld dat geen wettelijke rente zal worden vergoed over de verrichte nabetaling.

Bij besluit van 10 december 2002 (verder te noemen: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen de besluiten van 9 en 10 september 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover dit betrekking had op de wettelijke rente en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Volgens de rechtbank is het bestuursorgaan 14 dagen na de aanmaning van 4 juni 2002 wettelijke rente verschuldigd.
Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de CAO-toeslag en andere toeslagen die hij ontving. Met betrekking tot de wettelijke rente is betrokkene van mening dat het bestuursorgaan die vanaf de oorspronkelijke toekenning van de WAO-uitkering is verschuldigd. In dat verband heeft betrokkene zich ook beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het bestuursorgaan heeft in hoger beroep erkend dat het besluit van 26 februari 1987 onrechtmatig was. Volgens het bestuursorgaan dienen de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit echter veeleer voor risico van betrokkene te komen. Daartoe acht het bestuursorgaan doorslaggevend dat betrokkene zelf onvolledige gegevens heeft verstrekt, akkoord is gegaan met de dagloonvaststelling en eerst na zeer geruime tijd om herziening van zijn dagloon heeft verzocht.

De Raad overweegt als volgt.



De hoogte van het dagloon

Naar aanleiding van het verzoek van betrokkene van 4 juni 2002 is het bestuursorgaan teruggekomen van het besluit van 26 februari 1987.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN AU0008) is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarnaast brengt het feit dat wordt verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit met zich dat het aan betrokkene is aan te geven waarom dat eerdere besluit niet juist zou zijn en van zijn stellingen - uiterlijk in de bezwaarfase - het nodige bewijs te leveren.

Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra vakantiedagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige collega’s. Het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel wordt daardoor niet groter.

De Raad acht voorts niet aangetoond dat betrokkene in de referteperiode daadwerkelijk een CAO-toeslag heeft ontvangen. De door betrokkene overgelegde overzichten acht de Raad onvoldoende bewijs. De enige salarisstrook waarop de CAO-toeslag voorkomt is die van periode 12 van 1986. Dat is echter buiten de referteperiode.

Ook de ontvangst van andere door betrokkene geclaimde toeslagen is niet aangetoond.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van betrokkene, voor zover dit ziet op de hoogte van het WAO-dagloon, niet slaagt.



De wettelijke rente

Bij het besluit van 19 januari 2006 heeft het bestuursorgaan ingaande 1 september 2002 tot 10 september 2002 wettelijke rente toegekend over de op laatstgenoemde datum verrichte nabetaling. Daaraan ligt ten grondslag dat het bestuursorgaan binnen de wettelijk voorgeschreven beslistermijn van acht weken op het verzoek van 4 juni 2002, dat eerst op 25 juni 2002 is ontvangen, had moeten beslissen. Nu buiten die termijn is beslist, is het bestuursorgaan van mening dat ingaande de eerste dag van de maand, volgend op die waarin uiterlijk had moeten worden beslist, wettelijke rente is verschuldigd, tot de datum waarop de nabetaling heeft plaatsgevonden.

De Raad merkt het besluit van 19 januari 2006 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dat besluit niet is tegemoetgekomen aan de bezwaren van betrokkene, dient de Raad dit besluit gelet op artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling te betrekken. De Raad stelt voorts vast dat het besluit van 19 januari 2006 in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de vergoeding van wettelijke rente, zodat betrokkene geen belang meer heeft bij een beslissing in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover die ziet op de vergoeding van wettelijke rente.
Dit brengt mee dat het hoger beroep van betrokkene in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Raad volstaat, wat de vergoeding van wettelijke rente betreft, met een oordeel over het besluit van 19 januari 2006.

Uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005, LJN AU8983, volgt dat het hiervoor weergegeven standpunt van het bestuursorgaan door de Raad wordt onderschreven. Dat het betoog van betrokkene met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente niet door de Raad wordt gevolgd, blijkt onder meer uit eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 14 juli 2005.

Het voorgaande betekent echter niet dat het besluit van 19 januari 2006 in rechte kan standhouden. Het bestuursorgaan heeft erkend dat is verzuimd rente op rente toe te kennen. Om die reden dient het besluit van 19 januari 2006 te worden vernietigd.

Voorts heeft het bestuursorgaan verzuimd aan betrokkene een proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure toe te kennen. De Raad zal deze vergoeding, die is begroot op € 322,--, aan betrokkene toekennen.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd, zij het op onjuiste gronden.

Het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 19 januari 2006 slaagt. De Raad ziet daarin aanleiding het bestuursorgaan te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 805,-- voor verleende rechtsbijstand (hoger beroepschrift, reactie op het besluit van 19 januari 2006 en verschijnen ter zitting).
De proceskostenveroordeling bedraagt dan ook in totaal 1127,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In het hoger beroep van betrokkene:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de hoogte van het WAO-dagloon;
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de aangevallen uitspraak, in zoverre die ziet op de vergoeding van wettelijke rente;
Verklaart het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 19 januari 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het bestuursorgaan met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 9 september 2002;
Veroordeelt het bestuursorgaan in de proceskosten van betrokkene, begroot op € 1127,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door betrokkene betaalde griffierecht ad € 87,-- aan hem vergoedt.

In het hoger beroep van het bestuursorgaan:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat het bestuursorgaan met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x