Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8805
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vijfdejaarsherbeoordeling. Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid voor het eigen werk.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1122 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 30 januari 2004, Awb 03/16 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Wouters, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P. Klootwijk.




II. OVERWEGINGEN


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren [in] 1966, is werkzaam geweest als ijzerwerker/pijpfitter. Nadat appellant uitgevallen was vanwege psychische klachten is hem na afloop van de wachttijd een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In het kader van de 5e-jaars beoordeling heeft de verzekeringsarts H.G. van Loon op 8 februari 2002 een rapport opgesteld. In dat rapport is vastgesteld dat de eerdere bij appellant geconstateerde depressie in remissie is en dat van een - het verrichten van arbeid in de weg staande - persoonlijkheidstoornis evenmin meer sprake is. Hij is in dit rapport tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk van ijzerwerker/pijpfitter. In een daaropvolgend rapport d.d. 12 maart 2002 heeft de arbeidsdeskundige A.R. Moet de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven. In overeenstemming met deze conclusie heeft het Uwv appellant bij besluit van 20 maart 2002 meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 14 mei 2002 wordt ingetrokken, omdat hij geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk.

In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat het besluit van 14 mei 2002 niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat het aan dit besluit ten grondslag liggende rapport van de verzekeringsarts Van Loon niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Voorts heeft hij in bezwaar een verklaring d.d. 18 juni 2002 van zijn huisarts en een psychologische rapport d.d. 2 juli 2002 van C.M. Maas overgelegd.

Op 4 oktober 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts H. Cramer rapport uitgebracht, waarin hij de conclusie van de primaire verzekeringsarts heeft onderschreven. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 28 november 2002 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant naar voren gebracht dat zijn medische situatie in vergelijking met de periode dat hij een WAO-uitkering ontving niet is verbeterd en dat hij nog steeds arbeidsongeschikt is wegens psychosociale redenen.
Op verzoek van de rechtbank heeft F.W. van der Poel, psychiater te Vlissingen, appellant op 10 oktober 2003 onderzocht. In zijn rapport van 29 oktober 2003 heeft hij overwogen dat er bij appellant in de periode voorafgaande aan 14 mei 2002 mogelijk sprake is geweest van een reactieve depressie, maar dat op 14 mei 2002 naar zijn mening geen sprake meer was van een ziekte of gebrek. De antisociale en dwangmatige persoonlijkheidskenmerken heeft appellant naar de mening van deze psychiater altijd gehad en zijn niet te beschouwen als een psychiatrische stoornis in engere zin. Hij is dan ook tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 14 mei 2002 geschikt moet worden geacht voor zijn werk van pijpfitter.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het door psychiater Van der Poel ingenomen standpunt en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant onder meer gesteld dat hij nog steeds last heeft van een depressie en dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de psychiater Van der Poel heeft gevolgd.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank kent de Raad beslissende betekenis toe aan het voormelde rapport van de als deskundige geraadpleegde psychiater Van der Poel. Deze is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat er bij appellant op de datum in geding geen sprake meer is van een psychiatrische stoornis in engere zin en dat hij met ingang van deze datum geschikt moet worden geacht voor zijn werk van pijpfitter.

De Raad is van oordeel dat deze deskundige, die appellant heeft gezien en bij zijn onderzoek de beschikking had over alle in dit geding voorhanden zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op precieze en inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan, en daaruit een begrijpelijke conclusie heeft getrokken. De Raad heeft derhalve geen aanleiding gevonden te twijfelen aan het oordeel van deze psychiater, te meer daar dit oordeel in overeenstemming met het door (bezwaar)verzekeringsartsen ingenomen standpunt. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt dat er bij hem op de datum in geding nog steeds sprake was van een depressie en dat hij om medische redenen op die datum niet in staat was om zijn eigen werk te verrichten. De Raad ziet, gelet op alle gegevens, dan ook geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van het in ís-Raads vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x