Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8867
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Overwerkverdiensten. Dagloonvaststelling.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4839 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2005, 04/3723, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.H. Zundert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijon, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser wordt aangeduid en het Uwv als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

"Eiser is van 13 oktober 1980 tot 1 december 1993 als lasser in dienst geweest bij RDM te Rotterdam. Vanaf juni 1993 tot 5 juli 1993 heeft hij wegens arbeidsongeschiktheid niet gewerkt. Naar aanleiding van een op 22 april 1993 ingediend verzoek is aan RDM op 30 juni 1993 een ontslagvergunning verleend. Omdat eiser op dat moment arbeidsongeschikt was, is het ontslag per 1 december 1993 geëffectueerd. Door een te late aanvraag kon over de periode van 1 december 1993 tot 15 mei 1996 geen recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) worden vastgesteld. Over de periode van 15 mei 1996 tot 1 juli 1996 heeft eiser wel een uitkering ingevolge de WW ontvangen. Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering ingevolge de WAO heeft verweerder bij een besluit van 7 november 2000 aan eiser met ingang van 14 augustus 1999 (één jaar voor de datum aanvraag) een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. In dit besluit is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op 1 juli 1995 en het dagloon, na indexering, op ƒ 218,58 (€ 99,19).
Met ingang van 25 december 2000 heeft verweerder bij besluit van eveneens 7 november 2000 de mate van arbeidsongeschiktheid herzien naar 25 tot 35%.
Tegen beide besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt, met name tegen de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage en tegen de datum met ingang waarvan de uitkering is toegekend. Bij het besluit op bezwaar van 18 maart 2002 heeft verweerder de eerste arbeidsongeschiktheidsdatum gewijzigd in 1 januari 1995 en de toekenningsdatum in 28 juli 2000. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. In verband met de wijziging van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft verweerder het WAO-dagloon opnieuw berekend en bij het primaire besluit van 1 juli 2002 het WAO-dagloon gewijzigd en met ingang van 1 juli 2002 vastgesteld op € 109,35. Verweerder heeft hierbij overwogen dat het WAO-dagloon te hoog was vastgesteld en dat dit per toekomende datum is gecorrigeerd, aangezien dit eiser redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn geweest. Dit besluit heeft verweerder bij het besluit van 30 december 2002 gehandhaafd.
In beroep tegen dit besluit heeft eiser aangevoerd dat bij de vaststelling van het dagloon ten onrechte de ontvangen overwerkvergoeding niet is meegenomen en dat bij de indexering geen rekening is gehouden met de salarisontwikkeling sedert 1989 dan wel 1992, terwijl de oorzaak van zijn arbeidsongeschiktheid, naar hij stelt, in die jaren is ontstaan.
De rechtbank heeft de beslissing op het bezwaarschrift vernietigd onder de overweging dat verweerder onjuiste toepassing heeft gegeven aan de dagloonregelen. Ter voorlichting van eiser heeft de rechtbank voorts overwogen dat de vernietiging niet behoeft te leiden tot een hernieuwde dagloonberekening tot een hoger dagloon, nu eiser ten aanzien van het meenemen van de salarisontwikkeling per 1993 geen enkele onderbouwing heeft gegeven en er ingevolge het Bijzonder Dagloonbesluit van 18 augustus 1993 voor het meeberekenen van overwerkverdiensten, minstens gemiddeld één uur per dag dient te zijn verricht gedurende het gehele jaar of gedurende één of meerjaarlijkse terugkerende periode(n) van overwerk."

Aan het onderhavige geschil ligt ten grondslag de beslissing op bezwaar van 29 oktober 2004 ( hierna: het bestreden besluit), waarbij het Uwv de hoogte van het WAO-dagloon per 1 juli 2002 opnieuw heeft berekend en heeft vastgesteld op € 110,58.

Appellant kan zich met deze hoogte van het dagloon niet verenigen. Naar zijn mening is voor de vaststelling van het dagloon ten onrechte uitgegaan van een verlengde referteperiode van 11 maart 1993 tot 1 januari 1995. Appellant meent dat ook de eerste drie maanden van 1993 betrokken dienen te worden bij de referteperiode. Voorts meent hij dat zijn overwerkverdiensten bij de vaststelling van dit dagloon ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij de stelling van appellant dat uit oogpunt van billijkheid de eerste drie maanden van 1993 bij de verlengde referteperiode betrokken dienen te worden verworpen, nu de WAO en de Dagloonregelen WAO voor een dergelijke verruiming van de verlengde referteperiode geen ruimte bieden. Evenmin dienen deze maanden betrokken te worden bij de vaststelling van de verlengde referteperiode om het aantal gewerkte dagen van 65 te behalen. Voorzover het beroep ziet op het meenemen van overwerkverdiensten volgt de rechtbank het standpunt van het Uwv dat niet gebleken is dat appellant gedurende het gehele jaar of nagenoeg het gehele jaar tenminste gemiddeld één uur per dag overwerk heeft verricht noch dat er een jaarlijks terugkerende periode was waarin appellant gedurende minimaal één uur per dag diende over te werken, zodat de overwerkvergoeding niet betrokken kan worden bij de vaststelling van het dagloon.

Appellant heeft in hoger beroep dit oordeel gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot het door appellant primair aangevoerde, namelijk dat het Uwv bij het vaststellen van het dagloon ten onrechte is uitgegaan van een referteperiode van 11 maart 1993 tot 1 januari 1995, volstaat de Raad met te verwijzen naar hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen.

Met betrekking tot de door appellant genoten overwerkverdiensten heeft appellant in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de overgelegde loonstrookjes vanaf februari 1992 tot en met januari 1993, voldoet aan de uitgangspunten van het Bijzondere Dagloonbesluit inzake medeberekening van overwerkverdiensten, te weten dat hij in 1992 gedurende het gehele jaar of nagenoeg het gehele jaar tenminste gemiddeld één uur per dag overwerk heeft verricht. Om redenen van zorgvuldigheid, redelijkheid en billijkheid dient volgens appellant bij de berekening van het dagloon uitgegaan te worden van zijn salaris genoten over 1992.

De Raad merkt dienaangaande het volgende op.

Naar de Raad reeds meerdere malen tot uitdrukking heeft gebracht is de betekenis van het Bijzonder Dagloonbesluit inzake medeberekening van overwerkverdiensten met name gelegen in de in dat besluit tot uitdrukking gebrachte criteria voor het antwoord op de vraag of overwerkverdiensten bij de dagloonvaststelling mogen worden betrokken - de drempeleis - en in de in dat besluit tot uitdrukking gebrachte maximering. Voor de berekening van het dagloon (inclusief overwerk) dient echter de systematiek van de dagloonregels gevolgd te worden. In het algemeen zal bij het al dan niet meenemen van overwerkverdiensten moeten worden uitgegaan van de verdiensten in het zogenaamde refertejaar. Slechts in bijzondere omstandigheden, waaronder niet valt de hier aan de orde zijnde omstandigheid dat om bedrijfseconomische redenen vanaf 11 maart 1993 geen overwerk meer is verricht, zal van een ander jaar dan het zogenaamde refertejaar kunnen worden uitgegaan.

De Raad ziet op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting derhalve geen grond om het Uwv dienaangaande niet te volgen.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H.W. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S.H.W. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x