Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8928
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Betrokkene was bij aanvang van haar verzekering reeds geheel arbeidsongeschikt.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2964 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 april 2004, reg.nr. 03/788 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.J.G. Palmen te Brunssum hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Palmen voornoemd en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J.M. van Haaften.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, die in het genot was van een Duitse Erwerbsunfähigkeitsrente en geen arbeidsverleden had in Nederland, is op 9 oktober 2000 voor drie dagen per week gedurende 3 à 4 uur per dag werkzaamheden in Nederland gaan verrichten als keukenhulp via uitzendbureau Bacchus. Kort tevoren, op 9 augustus 2000, was zij op verzoek van het Duitse orgaan onderzocht door de verzekeringsarts J. Schrijen. Deze constateerde dat appellante wegens depressieve aandoeningen, angineuze klachten, rug- en beenklachten, chronische moeheid en pijnen door een leverziekte niet in staat was tot reguliere arbeid. Op 28 november 2001 is appellante uitgevallen voor haar arbeid wegens klachten binnen het patroon van haar bestaande aandoeningen.

Bij besluit van 11 november 2002, na bezwaar in stand gelaten bij besluit van 6 mei 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv geweigerd aan appellante na ommekomst van de zogeheten wachttijd op 26 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellante bij de aanvang van haar verzekering op 9 oktober 2000 reeds geheel arbeidsongeschikt was en heeft met toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en sub a van de WAO die arbeidsongeschiktheid geheel en blijvend buiten aanmerking gelaten.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante een beroep gedaan op schending van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanwege het feit dat het Uwv na de gehouden hoorzitting informatie over het functioneren van appellante binnen haar dienstverband had ingewonnen, zonder aan appellante gelegenheid te geven daarover te worden gehoord. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij niet reeds bij aanvang van de verzekering geheel arbeidsongeschikt was. Zij heeft daartoe onder meer een beroep gedaan op het feit dat zij meer dan een jaar werkzaam was geweest alvorens uit te vallen. Tevens heeft zij een beroep gedaan op een schrijven van de reumatoloog dr. H.R.M. Peeters van 24 februari 2003, waarin deze zegt appellante bij de aanvang van de werkzaamheden niet geheel arbeidsongeschikt te achten.

Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellante het beroep op artikel 7:9 van de Awb herhaald en eveneens opnieuw de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten. Ter zitting van de Raad is betoogd dat de beoordeling van de vraag of appellante bij aanvang van de verzekering reeds geheel arbeidsongeschikt was niet had mogen berusten op een rapport daterend van vóór die aanvang. Daartoe is een beroep gedaan op de beleidsregels, vervat in het Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid WAO, WAZ en Wajong van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (de rechtsvoorganger van het Uwv), van 8 juli 1998, Stcrt. 1998, 140 (hierna: Besluit).

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad wijst het beroep op artikel 7:9 van de Awb af. De na de hoorzitting ontvangen informatie van het uitzendbureau, in hoofdzaak luidende dat over de arbeid van appellante geen klachten waren binnengekomen, vormde een bevestiging van een reeds ingenomen standpunt en kan niet worden gekwalificeerd als een feit of omstandigheid die voor de op het bezwaarschrift te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kon zijn.

Verder is de Raad er, evenals de rechtbank, voldoende van overtuigd geraakt dat appellante bij de aanvang van haar verzekering geheel arbeidsongeschikt was. De Raad baseert dit op de reeds vermelde uitkomsten van het onderzoek van de verzekeringsarts Schrijen, alsmede op dat van de verzekeringsarts T.J.W. Jansen van 6 november 2002, welke laatste arts met een uitvoerige motivering, mede ontleend aan de medische voorgeschiedenis van appellante, heeft geconcludeerd dat appellante ten koste van haar gezondheid en boven haar krachten en mogelijkheden had gewerkt. Ook acht de Raad van betekenis dat appellante toen zij begon te werken reeds in het genot was van een volledige Erwerbsunfähigkeitsrente en voorts dat zij zowel tegenover de verzekeringsarts Schrijen als tegenover de verzekeringsarts Jansen heeft aangegeven zichzelf als geheel arbeidsongeschikt aan te merken. Wat het beroep op de beleidsregels, vervat in de Bijlage bij het Besluit, betreft wijst de Raad er op dat deze er niet aan in de weg staan dat de beoordeling van het bestaan van arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering berust op alle bekende gegevens, waaronder gegevens daterend van vóór die aanvang. Voorts leidt het feit dat appellante nog gedurende ruim een jaar werkzaamheden heeft verricht de Raad, in het licht van hetgeen over haar medische toestand bekend is geworden, niet tot een ander oordeel, waarbij nog opmerking verdient dat appellante slechts gedurende een klein gedeelte van de werkweek gewerkt heeft en, blijkens informatie van het uitzendbureau, met onderbrekingen. Ook het standpunt van van de reumatoloog Peeters leidt de Raad niet tot een ander oordeel, nu deze zijn visie met name heeft gebaseerd op het enkele feit dat appellante de aangevangen arbeid enige tijd heeft verricht.

Ten slotte oordeelt de Raad dat de gebruikmaking van de bevoegdheid door het Uwv, in die zin dat de arbeidsongeschiktheid blijvend en geheel buiten aanmerking is gelaten, ‘s Raads beperkte toetsing kan doorstaan. Doorslaggevend hiervoor acht de Raad dat appellante de arbeid is aangevangen in het volledige besef dat zij geheel arbeidsongeschikt was, in welk verband de Raad mede betekenis heeft gehecht aan de beleidsregel, opgenomen in punt 2.6, aanhef en onder 1, van de Bijlage bij het Besluit.

Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffer, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x