Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8934
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering en verrekening van WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1873 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 6 april 2004, reg.nr. 02/1336 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 21 april 2006, waar partijen niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluiten op bezwaar van 26 maart 2003 heeft het Uwv - na intrekking van zijn besluit van 25 november 2002 - deels met wijziging van de motivering gehandhaafd zijn eerdere besluiten van 13 november 2001, alsmede zijn besluiten van 6 februari 2002 en 5 maart 2002.
De besluiten op bezwaar van 26 maart 2003 houden in dat:
- de uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% per 1 januari 1998 wordt voortgezet, maar onder toepassing van artikel 44 van de WAO, als gevolg van door appellante verkregen inkomsten, niet wordt uitbetaald;
- de WAO-uitkering van appellante per 1 augustus 2001 wordt ingetrokken, omdat de maximale termijn waarover toepassing van artikel 44 van de WAO kan plaatsvinden is overschreden;
- appellante het over de periode van 1 januari 1998 tot 1 oktober 2001 teveel aan uitkering ontvangen bedrag, groot € 3.425,21, aan het Uwv dient terug te betalen;
- het bedrag waarmee appellante de schuld van € 3.425,21 dient af te lossen € 250,-- per maand bedraagt.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, de beroepen tegen de besluiten van 26 maart 2003 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak bestreden voor zover deze uitspraak ziet op de besluiten van 26 maart 2003. Zij heeft betoogd dat zij steeds het Uwv volledig en juist heeft geďnformeerd over haar inkomsten. Het Uwv heeft de door haar verstrekte gegevens niet juist en niet tijdig verwerkt. Nu het appellante redelijkerwijze niet duidelijk kon zijn dat zij ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering ontving, is appellante van opvatting dat intrekking en herziening van haar uitkering niet eerder kan plaatsvinden dan op het moment dat het Uwv haar kenbaar heeft gemaakt dat haar ten onrechte een uitkering is verstrekt.
Appellante acht ook het bedrag dat zij per maand dient af te lossen te hoog.
Het hoger beroep van appellante faalt.

Appellante heeft ook in hoger beroep niet bestreden dat het Uwv aan de bestreden besluiten van 26 maart 2003 de juiste bedragen van inkomen en uitkering ten grondslag heeft gelegd. De wijze van berekening is evenmin bestreden.
Appellante bestrijdt evenmin dat - indien het Uwv de door haar verstrekte gegevens tijdig had verwerkt - zij per 1 januari 1998 geen recht had op uitbetaling van haar uitkering.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante niet kan staande houden dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij met ingang van 1 augustus 1998 niet langer recht had op uitbetaling van haar uitkering. Ten opzichte van haar vorige betrekking werkte appellante per die datum in ieder geval niet minder uren per week en verdiende zij geen relevant lager inkomen. Appellante had moeten begrijpen dat dit niet zonder gevolgen voor haar uitkering kon blijven.

Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel er niet aan in de weg staat dat met terugwerkende kracht per 1 januari 1998 de juiste uitkeringssituatie wordt vastgesteld.

Nu op grond van artikel 44 van de WAO een situatie als in dat artikel beschreven niet langer kan voortduren dan 3 jaren en dat na afloop van die termijn de gedurende die termijn verrichte werkzaamheden - kort samengevat - voor appellante geschikt zijn, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv gehouden was drie jaar na 1 januari 1998 tot intrekking van de uitkering over te gaan. Met intrekking van de uitkering per 1 augustus 2001 heeft het Uwv appellante in ieder geval niet te kort gedaan.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen door appellante is aangevoerd niet blijkt van de aanwezigheid van dringende redenen die het Uwv aanleiding hadden moeten geven om geheel of gedeeltelijk af te zien van de uit artikel 57 van de WAO voor het Uwv voortvloeiende verplichting ten onrechte uitbetaalde uitkering terug te vorderen.
Dringende redenen kunnen slechts aanwezig zijn indien voor appellante als gevolg van de terugvordering onaanvaardbare consequenties ontstaan. Dit soort omstandigheden zijn niet gesteld. Onjuist handelen van de zijde van het Uwv, waaronder begrepen het schenden van gewekte verwachtingen, kan volgens vaste jurisprudentie van de Raad geen dringende reden opleveren.

De Raad is ten slotte met de rechtbank van oordeel dat de vaststelling van het aflossingsbedrag op € 250,-- per maand strijdt met de wet noch met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Het bedrag blijft ver beneden de door het Uwv vastgestelde en door appellante niet bestreden aflossingscapaciteit van € 648,87 per maand. Daarbij komt dat appellante op het formulier Inkomens- en vermogensonderzoek gedateerd 28 februari 2002 op de vraag: “Wat is uw betalingsvoorstel?” heeft vermeld : “€ 250,--”. Dat appellante op een later moment ook andere voorstellen heeft gedaan, maakt dit niet anders.

De uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x