Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8953
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Juistheid van de vastgestelde beperkingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3599 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2004, 04/51 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M. Egbers, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Egbers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, geboren in 1970, heeft als complicatie bij de zwangerschap van haar eerste kind in november 1994 een bekkenvenentrombose gekregen. Vanaf september 1997 heeft zij volgens een rapport van de arbeidsdeskundige A. Paalvast in dienstbetrekking gewerkt in schoonmaakwerk en later in de horeca. Appellante heeft zelf aangegeven dat zij in 1995 in loondienst is gaan werken.

Zij heeft zich met ingang van 1 juni 2000 ziek gemeld in verband met verergerde klachten van genoemde trombose als gevolg van de zwangerschap en bevalling van haar tweede kind.

Aan appellante is met ingang van 29 mei 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De verzekeringsarts dr. C. Bodeutsch heeft na onderzoek de belastbaarheid van appellante verwoord op een op 29 november 2001 opgemaakt formulier. Appellante is beperkt wat betreft het zitten, het staan, tillen, klimmen en lopen.
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige Paalvast met behulp van het Functie Informatie Systeem functies geselecteerd waarmee appellante een zodanig inkomen kan verdienen dat geen verlies aan verdiencapaciteit resteert.

Bij besluit van 22 januari 2002 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de WAO van appellante met ingang van 22 maart 2002 ingetrokken onder overweging dat appellante op die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is.

Dat besluit is ingetrokken omdat appellante bij een herbeoordeling in maart 2002 inmiddels zwanger bleek te zijn van een derde kind.

Op 21 februari 2003 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts M.M. Schuckman. Appellante gaf aan zich volledig arbeidsongeschikt te achten. De verzekeringsarts Schuckman constateerde bij lichamelijk onderzoek spataderen in de liesstreek en de schaamstreek. Zij constateerde geen oedeem aan de benen. Wat betreft de door appellante tijdens dat onderzoek geuite klachten van de rechter arm constateerde Schuckman geen krachtsverlies en een normale handfunctie.

Schuckman heeft appellante in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst nagenoeg op dezelfde wijze beperkt als Bodeutsch.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige D. Schouten met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) voor appellante functies geselecteerd waarmee appellante een zodanig inkomen kan verdienen dat geen verlies aan verdiencapaciteit resteert.

Bij besluit van 4 juni 2003 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de WAO van appellante met ingang van 5 augustus 2003 ingetrokken onder overweging dat appellante op die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellante aangegeven ook psychische klachten te hebben. De bezwaarverzekeringsarts J.H.N. Verheijen heeft vervolgens informatie bij de huisarts ingewonnen. Uit die inlichtingen bleek dat de huisarts in verband met onrust en snel geļrriteerd zijn van appellante inmiddels Seroxat had voorgeschreven.

In zijn rapport van 26 november 2003 concludeert Verheijen als volgt:

"Heroverweging bestreden beslissing
Uit het geheel van de gegevens blijkt dat de verzekeringsarts is uitgegaan van de juiste gezondheidstoestand van betrokkene. De verzekeringsarts heeft op de juiste wijze conform het schattingsbesluit de objectief medisch vast te stellen beperkingen aangegeven nu de zwangerschap voorbij is. De aangegeven beperkingen zijn een logisch gevolg van de problematiek. De persoonlijke beleving van belanghebbende van de geringe resterende mogelijkheden wordt mogelijk mede bepaald door het leed dat zij heeft moeten ondergaan. De hoofdpijn en "psychische klachten" leiden niet tot verdergaande beperkingen. Het bezwaar wordt niet onderbouwd met andere feiten en ook de in bezwaar verzamelde gegevens wijzen niet op verdergaande beperkingen. Zij wordt daarom ondanks de in het bezwaarschrift aangegeven problematiek in staat geacht de functies uit te voeren.

Conclusie
Er is onvoldoende grond om terug te komen op het medische oordeel."

Vervolgens is bij besluit van 1 december 2003, verder: het bestreden besluit, het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

In beroep bij de rechtbank is van de zijde van appellante gesteld dat haar psychische beperkingen zouden zijn onderschat. Appellante zou, evenals een van haar kinderen, lijden aan Attention Deficit Hyperactivity Disorder, ADHD, hetgeen is geconstateerd door de zenuwarts R.H.S. Dekker bij wie appellante inmiddels onder behandeling is.
Voorts zouden de beperkingen die voortvloeien uit de armklachten en de bekkenvenentrombose zijn onderschat. Daartoe is een geneeskundig rapport van 6 februari 2004 van de arts drs. ing. R.J. Teulings, die de gedingstukken heeft bestudeerd, overgelegd. De bezwaarverzekeringsarts Verheijen heeft in zijn rapport van 16 februari 2004 aangegeven waarom de inhoud van die rapportage zijn standpunt niet wijzigt.

De rechtbank heeft blijkens de aangevallen uitspraak zich kunnen verenigen met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank acht onvoldoende geobjectiveerd dat appellante aan ADHD zou lijden nog afgezien van de vraag of dat tot een wijziging van de belastbaarheid van appellante zou moeten leiden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat van de zijde van appellante geen medisch objectiveerbare gegevens in geding zijn gebracht die steun geven aan haar standpunt dat van verdergaande lichamelijke of psychische beperkingen zou moeten worden uitgegaan.

In hoger beroep is van de zijde van appellante een rapport van 8 juli 2004 van de psychiater M.H. Oeberius Kapteijn overgelegd. Deze psychiater is van oordeel dat appellante lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en heeft in zijn rapport enige beperkingen met betrekking tot de psychische belastbaarheid van appellante opgenomen.

De bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick heeft in hoger beroep gewezen op het niet eenduidig zijn van de conclusies van Oeberius Kapteijn en Dekker en het niet eenduidig zijn van de vertaalslag van de medische bevindingen naar de benutbare mogelijkheden.

De Raad moet thans de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Naast de overwegingen van de rechtbank die de Raad tot de zijne maakt, overweegt hij daartoe het volgende.

Wat betreft de lichamelijke beperkingen die het Uwv in verband met de bekkenvenentrombose heeft gesteld is de Raad op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante op de datum in geding juist heeft vastgesteld. Hierbij tekent de Raad aan dat appellante reeds leed aan die aandoening voordat zij na de geboorte van haar eerste kind in 1995 of 1997 in loondienst ging werken en aldus verzekerd werd voor de WAO. In zo'n geval volgt uit het bepaalde in artikel 18 van de WAO dat alleen met toeneming van beperkingen na aanvang van die werkzaamheden rekening behoefde te worden gehouden bij de schatting in het kader van de WAO.
Eenzelfde oordeel moet gelden met betrekking tot de beperkingen die naar het oordeel van appellante en haar gemachtigde op psychisch terrein zouden gelden. Indien appellante al lijdt aan ADHD en/of een borderline stoornis - de psychiater Oeberius Kapteijn en de zenuwarts Dekker zijn in hun opvatting daarover bepaald niet eenduidig - dan geldt ook hier dat appellante met die beperkingen verzekerd is geraakt ingevolge de WAO zodat slechts een toename van die beperkingen relevant kan zijn.
Van die toename blijkt naar het oordeel van de Raad niet, waarbij de Raad aantekent dat het constateren van een, kennelijk, al vanaf de geboorte of vroege jeugd bestaande aandoening niet inhoudt dat vanaf dat moment er dus meer beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid bestaan.

De brief van de zenuwarts Dekker van 27 april 2006 heeft de Raad bij zijn oordeelsvorming in deze buiten beschouwing gelaten, nu deze brief eerst ter zitting en dus buiten de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn is overgelegd.

Wat betreft de grief met betrekking tot appellantes armklachten wijst de Raad op de onderzoeksbevindingen van Schuckman ten tijde van de datum in geding en op de door appellantes gemachtigde overgelegde brief van de neuroloog Hageman van 25 juni 2004. Het gegeven dat Hageman appellante naar aanleiding van zijn onderzoek in april 2004 geen specifieke beperkingen heeft opgelegd, wijst er niet op dat Schuckman de belastbaarheid in februari 2003 in dit opzicht heeft overschat.

De Raad merkt ten slotte nog op dat appellante een niet onaanzienlijke gezinstaak heeft maar dat die taak buiten de WAO-verzekering valt en daarom bij de schatting geen rol kan spelen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x