Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8974
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De WAO-schatting berust op een ondeugdelijke motivering. Vastgestelde beperkingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3741 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 juni 2004, 03/197 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Hest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.P.J. Derksen.




II. OVERWEGINGEN


Appellant was werkzaam als medewerker horeca voor 35 uur per week. Hij heeft zich op 13 februari 2001 ziek gemeld met psychische klachten, hoofdpijn en schouderklachten. Uit het door de verzekeringsarts E.H.J. van Dijk opgetekende dagverhaal tijdens spreekuuronderzoek op 18 december 2001 blijkt dat appellant toen soms de hele dag op bed lag, regelmatig ruzie maakte met zijn vrouw, slecht sliep en matig at.
Appellant gaf aan dat zijn toestand in de loop van 2001 was verslechterd maar wilde over de oorzaak ervan niet praten.
Van de huisarts kreeg hij het middel Remeron. Voorts stond appellant onder controle van een orthopedisch chirurg in verband met zijn schouderklachten en van een longarts in verband met astmatische klachten, waarvoor hij ook medicatie gebruikte.

De verzekeringsarts Van Dijk heeft uitsluitend bij de behandelend orthopedisch chirurg inlichtingen ingewonnen. Vervolgens heeft hij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld.
Wat betreft persoonlijk en sociaal functioneren heeft Van Dijk appellant aangewezen geacht op werk met vaste, bekende werkwijzen, een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Voorts kan appellant volgens Van Dijk uitsluitend conflicten hanteren in telefonisch of schriftelijk contact en is hij aangewezen op werkzaamheden zonder leidinggevend karakter.

De arbeidsdeskundige B. van Dijk heeft volgens zijn rapport van 7 februari 2002 appellant voor zijn oude werk ongeschikt geacht en vervolgens met behulp van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een aantal functies geselecteerd.

Appellant kan volgens deze arbeidsdeskundige daarmee een zodanig inkomen verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.

Bij besluit van 19 februari 2002 heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 12 februari 2002 geweigerd, aangezien appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.

In bezwaar heeft de toenmalige gemachtigde van appellant gewezen op forse depressie, de hoofdpijnklachten, de schouderklachten en de slapeloosheid. Voorts is een verklaring van een longverpleegkundige overgelegd waaruit bleek dat appellant veel last had van astma en moeilijk instelbaar was op medicatie. Zij wees ook op de moeilijke psychische situatie van appellant.

De bezwaarverzekeringsarts K.L. Tetelepta-Tan heeft de medische gegevens bestudeerd en inlichtingen ingewonnen bij de huisarts. Zij heeft geconcludeerd dat appellant niet geheel arbeidsongeschikt was en dat de verzekeringsarts Van Dijk de belastbaarheid van appellant juist had vastgesteld met uitzondering van appellants allergieŽn.

De bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot heeft vervolgens de selectie van geschikte functies aangepast. Ook na deze aanpassing is volgens die bezwaararbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15%.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2002, verder: het bestreden besluit, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Tijdens de procedure bij de rechtbank is gebleken dat appellant begin 2003, kort na het nemen van het bestreden besluit, onder behandeling van de Geestelijke Gezondheidszorg te Eindhoven is gekomen. Aan de samenvattende rapportage van oktober 2003 ontleent de Raad het volgende:

"CliŽnt is sinds februari 2003 bij de GGzE, RCE in behandeling vanwege een chronische Post Traumatische Stress Stoornis. CliŽnt is van Marokkaanse afkomst, sinds 1977 in Nederland. Vader en moeder waren al eerder in Nederland wat met zich meebracht dat patiŽnt van zijn 4e tot 13e jaar opgevoed werd door grootvader.

CliŽnt werd door grootvader mishandeld en door een mannelijke kennis van zijn 8e tot 13e jaar seksueel misbruikt. De gevolgen voor cliŽnt zijn groot. Hij heeft een sterk gevoel van schaamte, heeft over het misbruik nooit durven vertellen uit schaamte en angst voor afwijzing en straf.
De problemen ten gevo1ge van genoemde trauma's bestaan al langer. CliŽnt is in 2000 getrouwd en heeft een kind gekregen. Het is waarschijnlijk dat deze levensgebeurtenissen de reeds bestaande PTSS problemen hebben verergerd.
Naast een ernstige PTSS is er sprake van een depressie (matig). Er is een forse lijdensdruk. Het angstniveau is hoog: angst om mensen te ontmoeten, bang om aangesproken te worden, angst voor intimiteit. CliŽnt heeft buiten zijn vrouw en kind zeer weinig contacten. Contacten met anderen, ook Marokkanen, worden gemeden, uit angst dat ze vragen gaan stellen. Het activiteitenniveau is zeer laag, cliŽnt komt tot niets. Ook thuis houdt hij zich afzijdig van huishouding en de opvoeding van zijn zoontje. Af en toe wandelt hij in het park waar hij de rustige plekken opzoekt. Er is sprake van (hypnopompe) hallucinaties."

De rechtbank heeft appellants beroep ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is onder meer overwogen dat uit de overgelegde medische gegevens niet blijkt dat appellant op advies van zijn behandelaars niet zou mogen werken of dat met zijn klachten op psychisch vlak of met de slapeloosheid onvoldoende rekening is gehouden.

In hoger beroep is door mr. Hest informatie overgelegd over het verder beloop van appellants gezondheidstoestand. In 2004 heeft een arts van de GGD appellant arbeidsongeschikt verklaard, omdat deze arts bij onderzoek is gebleken van ernstige psychiatrische problematiek met hallucinaties en fysieke agressie. Voorts is appellant in psychotische toestand in december 2006 enige tijd opgenomen geweest op de afdeling psychiatrie van een ziekenhuis in Eindhoven. De behandelend psychiater W.A.F. Sondermeyer concludeert in een brief van 23 februari 2006 aan het Uwv in het kader van een nieuwe aanvraag om uitkering dat appellant lijdt aan een paranoÔde psychose, mogelijk in het kader van een posttraumatische stressstoornis.

Ter zitting van de Raad is gebleken dat het Uwv appellant in het kader van de aanvraag uit 2004 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO aanmerkt maar dat het standpunt in de onderhavige zaak niet is gewijzigd.

De gemachtigde van het Uwv heeft niet kunnen aangeven of een verzekeringsarts zich gemotiveerd heeft uitgelaten over het blijkbaar ingenomen standpunt dat het verdere beloop van appellants ziekte geen ander licht werpt op de belastbaarheid van appellant op de datum in geding.

De Raad moet thans de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. De Raad is van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit onvoldoende grondslag in de feiten vindt. De Raad acht, gelet op het hiervoor weergegevene omtrent oorzaak en verloop van appellants psychische ziekte, de gevolgen die deze ziekte reeds op de datum in geding met zich bracht, hetgeen daarover ook al ten tijde van het primair besluit en het bestreden besluit bekend was alsmede de voor appellant geldende lichamelijke beperkingen onbegrijpelijk waarom appellant door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in staat is geacht tot werken in een volledige werkweek. Die geschiktheid voor werk in een volledige werkweek is ook uitgangspunt geweest bij het nemen van het bestreden besluit.
Uit de rapporten van de verzekeringsarts Van Dijk en de bezwaarverzekeringsarts Tetelepta-Tan blijkt niet dat zij hebben overwogen appellant wat betreft het aantal te werken uren te beperken en derhalve ook niet waarom zij een dergelijke beperking, blijkbaar, niet nodig hebben gevonden.

Het bestreden besluit berust derhalve op een ondeugdelijke motivering en is derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad zal de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en het Uwv opdracht geven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar voorzien van een deugdelijke motivering, desgewenst na nader medisch en arbeidskundig onderzoek.

De Raad overweegt voorts dat pas in hoger beroep met het rapport van 29 juni 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige De Groot de zogeheten niet-matchende items van de FML in het kader van de selectie van de functies met het CBBS voldoende zijn toegelicht. Nu het bestreden besluit reeds op een andere grond geen stand kan houden, worden aan dit oordeel geen afzonderlijke gevolgen verbonden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op Ä 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op Ä 9,70 voor reiskosten van appellant om de zitting van de rechtbank bij te wonen en Ä 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 1297,70 , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van Ä 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x