Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8981
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Uitbetaling van de WAO-uitkering naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Het UWV heeft daarbij geen enkele mededeling gedaan met betrekking tot het karakter van de betalingen. Strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3049 WAO en 04/3050 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 19 april 2004, 03/4622 en 03/4621 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.C.M. van Es. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.




II. OVERWEGINGEN


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was sinds 1990 werkzaam als algemeen medewerker bij een jeugdherberg. In 1995 is hij uitgevallen met klachten aan zijn rechterarm. Weliswaar werden er destijds door de verzekeringsgeneeskundige beperkingen geconstateerd, maar deze waren niet zodanig dat appellant in aanmerking kwam voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Nadien is appellant werkloos geworden. Op 14 december 1998 heeft hij zich met knieklachten ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet. Op 23 september 1999 is appellant in het kader van de beoordeling voor een uitkering op grond van de WAO onderzocht door de verzekeringsarts E. Overdijk. Uit diens rapportage van dezelfde datum blijkt dat hij appellant als gevolg van de knieklachten beperkt achtte ten aanzien van lopen, staan, traplopen, klimmen, knielen, kruipen, hurken, zwaar tillen en dragen. Tevens constateerde hij nog een lichte beperking van de rechterarm in verband met epicondylitis lateralis. Ondanks deze beperkingen achtte Overdijk appellant in staat werkzaamheden te verrichten. Hij achtte appellant evenwel niet onafgebroken vier weken toegenomen arbeidsongeschikt ten gevolge van dezelfde oorzaak als op grond waarvan destijds een AAW/WAO uitkering werd verstrekt.

De arbeidsdeskundige L. Timmers heeft aan de hand van de vastgestelde belastbaarheid een aantal functies geselecteerd die op 13 december 1999 op de arbeidsmarkt voorhanden waren. In zijn rapportage van 27 september 2001 heeft hij vermeld dat mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% moet worden gesteld. Hierna heeft het Uwv bij besluit van 6 november 2001 geweigerd appellant per 14 december 1999 een WAO-uitkering toe te kennen. Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv het verleende voorschot op een WAO-uitkering ingetrokken met ingang van de datum waarop het voorschot aan appellant is toegekend.

Naar aanleiding van het namens appellant gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg de belastbaarheid opnieuw bezien. In haar rapportage van 1 november 2002 is zij tot de conclusie gekomen dat de verzekeringsarts Overdijk een gedegen onderzoek heeft verricht. Gelet op de zeer beperkte mobiliteit, achtte zij appellant meer beperkt voor het dragen van een zwaardere last dan de verzekeringsarts Overdijk had aangegeven. Voorts achtte zij op het item knielen, kruipen en hurken appellant links zwaar beperkt. Wel was appellant volgens haar in staat een gevallen item op te rapen. De bezwaarverzekeringsarts heeft een aangescherpt belastbaarheidspatroon opgesteld aan de hand waarvan de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Dekker functies heeft geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd heeft vastgesteld op 15 tot 25%.

Bij besluit van 22 september 2003 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen de weigering een WAO-uitkering te verstrekken gegrond verklaard en aan appellant per 13 december 1999 een WAO-uitkering toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het bezwaar tegen de intrekking van het voorschot op de WAO-uitkering is bij besluit van eveneens 22 september 2003 (hierna: besluit 2) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over besluit 1 en besluit 2 in rechte stand kan houden.
De Raad overweegt het volgende.



T.a.v. besluit 1

Appellant is van mening dat zijn aanspraken op een WAO-uitkering niet naar behoren zijn erkend. Appellant meent dat hij als gevolg van zijn klachten meer beperkingen ondervindt dan door de verzekeringsartsen zijn aangenomen. Hij acht zich niet in staat de voorgehouden functies te verrichten. Hij heeft daarbij benadrukt dat met name de functie stikster meubelbekleding niet passend is. Blijkens de functieomschrijving komt bij deze functie de activiteit hurken voor, welke activiteit gedurende een half uur per werkdag en 5 minuten aaneengesloten dient te worden verricht, hetgeen niet incidenteel is en daarmee boven de belastbaarheid van appellant uitgaat. Voorts is appellant van mening dat ten onrechte is nagelaten om te onderzoeken of de wachttijd voor het toekennen van een WAO-uitkering niet eerder is verstreken dan wel dat er aanleiding bestond de uitkering vier weken na 14 december 1998 te (her)openen op grond van de wet Amber. Appellant heeft zich immers ziek gemeld met knie- n rechterarmklachten.

De grieven van appellant treffen geen doel. Zij kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellant op juiste wijze zijn vastgesteld. Appellant heeft zich in 1998 ziek gemeld met knieklachten. Uit de rapportage van de verzekeringsarts Overdijk van 23 september 1999 blijkt dat deze ook de rechterarm heeft onderzocht en dat er met betrekking tot die arm sprake is van een status na epicondylitis. Er is dan ook terecht aangenomen dat er geen sprake is geweest van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak, zodat de wachttijd in het kader van de WAO niet vier maar tweenvijftig weken bedroeg. De Raad neemt voorts in aanmerking dat de verzekeringsarts appellant lichamelijk heeft onderzocht en de reeds voorhanden zijnde informatie bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het onderzoek dat plaatsvond op 23 september 1999 lag dicht tegen de datum in geding aan zodat niet aannemelijk is dat er bij het nemen van het primaire besluit van verouderde gegevens is uitgegaan. De door appellant overgelegde medische stukken geven voorts geen aanknopingspunten te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen, met name niet omdat deze informatie deels reeds door de verzekeringsartsen is meegenomen in hun beoordeling en deels informatie bevat die ziet op de situatie na de datum in geding. De bezwaarverzekeringsarts Momberg heeft in haar rapportage van 15 februari 2004 bovendien voldoende aangegeven waarom en op welke wijze appellant in staat moet worden geacht gevallen items op te rapen.
De arbeidsdeskundigen hebben functies geselecteerd die in voldoende mate voorhanden waren op de datum in geding. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige Dekker in zijn rapportage van 16 september 2003 gemotiveerd waarom het oprapen van items binnen de medische beperkingen valt. Daarnaast heeft Dekker aangegeven dat het schoonhouden van de werkplek bij de functie stikster meubelbekleder weliswaar structureel bij de functie behoort maar dat het slechts 5% van de werktijd betreft en ook binnen de medische beperkingen van appellant valt.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad dan ook met de rechtbank van oordeel dat appellant op de datum in geding geschikt was de hem voorgehouden functies te vervullen, zodat het besluit 1 in stand kan blijven.



T.a.v. besluit 2

Appellant is van mening dat besluit 2 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel omdat het Uwv niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijnen heeft beslist en de oorzaak van die termijnoverschrijding geheel aan het Uwv is te wijten. Voorts acht appellant het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden nu zonder rechtvaardigingsgrond de beoordeling van de rechten van appellant op WAO jarenlang niet heeft plaatsgevonden en er twee jaar betalingen ten titel van WAO aan appellant zijn gedaan, zodat hij er op mocht vertrouwen dat deze betalingen terecht aan hem betaalbaar werden gesteld. Daarbij acht appellant het van belang dat het voorschotkarakter van de betalingen nimmer aan hem kenbaar is gemaakt.

Het Uwv stelt zich op het standpunt dat aan appellant conform artikel 50, tweede lid, van de WAO en het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO WAZ en Wajong 1999 per einde wachttijd een voorschot op de WAO-uitkering is verstrekt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% omdat het medisch en arbeidskundig onderzoek om te kunnen bepalen of appellant recht had op een WAO-uitkering, nog niet was afgerond. Op grond van voornoemd besluit dient het Uwv tevens, zodra de definitieve vaststelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft plaatsgevonden, de voorschotverstrekking te staken, het voorschot in te trekken met ingang van de dag waarop het is toegekend en terug te vorderen dan wel te verrekenen met een andere uitkering. Aangezien bij besluit 1 de definitieve vaststelling van de WAO-uitkering heeft plaatsgehad meent het Uwv terecht over te zijn gegaan tot intrekking van het voorschot per datum dat het was toegekend.

De Raad stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geding is dat bij de beoordeling van de WAO-aanvraag van appellant de termijnen waarbinnen het Uw tot een besluit had moeten komen zijn overschreden. Het Uwv heeft dit ook met zoveel woorden in besluit 1 aangegeven door het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen gegrond te verklaren.

Voorts blijkt uit de gedingstukken dat er feitelijk aan appellant -naar de Raad aanneemt per 14 december 1999- betalingen zijn gedaan naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse zonder dat hierbij is aangegeven dat dit op voorschotbasis geschiedde. Een en ander is ter zitting door de gemachtigde van het Uwv bevestigd.

Zoals de Raad in recente uitspraken heeft overwogen, zie zijn uitspraken van 6 januari 2006, LJN AU9325 en LJN AU9328, brengt naar zijn oordeel de enkele overschrijding van de termijn waarbinnen een besluit als hier in geding moet worden genomen op zich niet met zich dat het Uwv niet langer gehouden zou zijn te voldoen aan de uit artikelen 18 en 19 van de WAO voortvloeiende verplichting tot vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per einde wachttijd. De wetgever heeft dit gevolg niet aan de overschrijding van de beslistermijn verbonden. Hieruit volgt dat in de onderhavige zaak het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per einde wachttijd, te weten 14 december 1999, diende vast te stellen.

Uit de hiervoor genoemde recente uitspraken van de Raad kan niet worden opgemaakt dat de Raad zijn jurisprudentie als in zijn uitspraak van 3 augustus 1998 LJN ZB1241, gepubliceerd in RSV 1994, 164, is neergelegd, niet langer handhaaft. In voornoemde uitspraken van 6 januari 2006 was de rechtszekerheid voor de ontvanger van de uitkering niet geschonden.

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het Uwv, nu hij appellant gedurende twee jaar feitelijk heeft uitbetaald naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse en daarbij geen enkele mededeling heeft gedaan met betrekking tot het karakter van deze betalingen, heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door de betalingen als gedaan voorschot op de WAO-uitkering in te trekken per einde wachttijd. Besluit 2 kan dan ook niet in stand blijven en dient te worden vernietigd evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten.
Aangezien besluit 1 in rechte standhoudt en het verzoek van appellant het Uwv op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de schade aan de kant van appellant slechts betrekking heeft op besluit 1, is er voor vergoeding van schade als door appellant verzocht in het onderhavige geval geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Wijs het verzoek om schadevergoeding af;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x