Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8983
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Duur van de procedure. Beslistermijn. Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Toekenning van immateriële schadevergoeding ad €1000,- omdat betrokkene als gevolg van de buitensporig lange duur van de procedure daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. Er is geen rechtvaardiging aangetroffen voor de procedurele handelwijze van het UWV in deze niet als complex aan te merken zaak.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/4987 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 augustus 2003, kenmerk 00/10695 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te Den Haag. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan.




II. OVERWEGINGEN


Aan appellante is bij besluit van 12 februari 1999 op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 6 oktober 1998 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend een uitkering, welke bij besluit van gelijke datum per 8 december 1998 is ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.
Bij besluit van 15 augustus 2000 is het bezwaar van appellante tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.
Hangende het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar heeft het Uwv (onder vervallenverklaring van dat besluit) op 16 november 2000 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij dit besluit is aan appellante per 8 december 1998 alsnog een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% toegekend, niet omdat zij medisch meer beperkt is geacht dan bij het nemen van het primaire intrekkingsbesluit is aangenomen (met inbegrip van een beperking tot en met 20 uur per week), doch op arbeidskundige gronden.

In beroep heeft appellante onder meer aangevoerd dat zij medisch gezien ten tijde in geding volledig arbeidsongeschikt was.
De rechtbank heeft - na schorsing van het onderzoek ter zitting op 2 november 2001- de reumatoloog prof. dr. F.C. Breedveld als onafhankelijke medisch deskundige ingeschakeld. Deze heeft appellante onderzocht en op 21 december 2001 rapport uitgebracht met conclusies die weliswaar strekten tot een beperking tot 20 uur per week, maar overigens vragen opriepen die de rechtbank aanleiding hebben gegeven de arts J.M. van den Born te verzoeken op grond van de gedingstukken een onderzoek in te stellen. Van den Born heeft op 9 augustus 2002 gerapporteerd dat hij zich kan verenigen met het door de verzekeringsarts op 22 september 1998 vastgestelde belastbaarheidspatroon (waarbij het aantal uren per week is gesteld op 20 onder aantekening dat dat aantal zal worden uitgebreid) en dat appellante op 8 december 1998 in staat moet worden geacht tot het vervullen van de aan haar door de arbeidsdeskundige op 6 oktober 1998 voorgehouden functies. In reactie op het commentaar van appellante op zijn rapport heeft Van den Born nader gerapporteerd op 23 oktober 2002 en daarbij de eerder door hem getrokken conclusies nader gemotiveerd gehandhaafd.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting op 16 mei 2003 hervat en bij de aangevallen uitspraak het beroep wegens het ontbreken van nog enig processueel belang niet-ontvankelijk verklaard voorzover het beroep is gericht tegen het besluit op bezwaar van 15 augustus 2000 - zulks met een bepaling over het griffierecht (€ 27,23) en met een veroordeling in de proceskosten (€ 322,--) - en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante gemotiveerd gesteld dat zij op 8 december 1998 medisch gezien volledig arbeidsongeschikt was, zodat per die datum aan haar een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer in plaats van 45-55% had moeten worden toegekend.
Voorts heeft appellante - evenals eerder in beroep, zonder dat daaraan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak een overweging is gewijd - aangevoerd dat er sprake is van een zodanig forse overschrijding door het Uwv van de wettelijke beslistermijn dat de rechtbank haar beroep gedeeltelijk gegrond had moeten verklaren.
In hoger beroep heeft de Raad aanleiding gezien als onafhankelijke medische deskundige de reumatoloog dr. G.H.C. Schardijn in te schakelen. Deze heeft de beschikking gekregen over alle gedingstukken tot dan toe, appellante op 27 december 2005 onderzocht en op 28 februari 2006 rapport van zijn bevindingen uitgebracht. Hij is gekomen tot de conclusies dat er bij appellante op 8 december 1998 sprake was van een actieve reumatoïde arthritis, dat hij zich volledig kan verenigen met het door de verzekeringsarts op 22 september 1998 opgestelde belastbaarheidspatroon en dat, uitgaande van dat belastbaarheidspatroon, appellante in alle redelijkheid in staat moet worden geacht de aan de theoretische schatting ten grondslag gelegde functies gedurende 20 uur per week en ook met het dragen van vingerspalken (in de vorm van speciale ringen bij 3 van de 5 vingers beiderzijds) te vervullen.
Ter zitting heeft appellante vooral wat de arbeidskundige aspecten betreft de Raad gevraagd opnieuw een onafhankelijke deskundige in te schakelen of anders Schardijn te verzoeken een toelichting op zijn rapport te geven, zulks om te kunnen beoordelen of zij ten tijde in geding in staat was de aan de aan haar voorgehouden functies verbonden werkzaamheden te verrichten. Appellante is namelijk van mening dat Schardijn er geen tot onvoldoende blijk van heeft gegeven dat hij die functies stuk voor stuk onder de loep heeft genomen alvorens te komen tot de conclusie dat zij daartoe toen wel in staat moest worden geacht, welke conclusie op grond van het resultaat van het door Schardijn ingestelde medische onderzoek niet in redelijkheid heeft kunnen worden getrokken.

De Raad overweegt als volgt.

In ’s Raads jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige volgt, tenzij sprake is van feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op deze regel.
Naar het oordeel van de Raad doen zodanige feiten of omstandigheden zich in dit geval niet voor.
Appellante heeft in hoger beroep wat de zorgvuldigheid van onderzoek door de door de rechtbank als onafhankelijke medisch deskundige ingeschakelde Breedveld en vervolgens Van den Born alsook de motivering van de door hen op basis van het resultaat van die onderzoeken ingenomen standpunten betreft kritiek geleverd, overigens zonder die kritiek te onderbouwen met nadere medische gegevens. Wat daarvan ook zij, de Raad heeft in hoger beroep als onafhankelijke medisch deskundige de reumatoloog Schardijn ingeschakeld. Zijn rapport getuigt van zorgvuldigheid en is consistent, terwijl zijn medisch oordeel in dat rapport naar behoren is gemotiveerd. Appellante heeft geen medische of andere gegevens in het geding gebracht die daaraan afbreuk doen.
Met hetgeen appellante heeft aangevoerd, is zij er niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat Schardijn niet ook naar behoren heeft onderzocht of zij ten tijde in geding (8 december 1998) met haar medische beperkingen de aan de aan haar voorgehouden functies verbonden werkzaamheden (gedurende 20 uur per week) kon verrichten.
De Raad vermag niet in te zien dat Schardijn niet heeft mogen volstaan met een kort beantwoording van de aan hem te dien aanzien door de Raad gestelde vraag.
In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor een nader onderzoek dan wel een nadere toelichting door Schardijn.
In zoverre faalt het door appellante ingestelde hoger beroep.

Appellante heeft haar grief dat de overschrijding door het Uwv van de wettelijke beslistermijn zodanig fors is dat de rechtbank haar beroep gedeeltelijk gegrond had moeten verklaren, ter zitting aangevuld en toegelicht in die zin dat zij meent in aanmerking te komen voor een vergoeding van immateriële schade ter grootte van € 1.000,-- die zij heeft geleden als gevolg van het door de buitensporig lange procedure ondervonden leed. In dat verband heeft appellante ter zitting gesteld dat er sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het Uwv heeft zich desgevraagd gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

De Raad stelt allereerst vast dat de in het beroepschrift aangevoerde grief wat de termijn betreft uitsluitend was gericht tegen het aandeel van het Uwv als bestuursorgaan in de duur van de procedure.
Vervolgens stelt de Raad vast dat het Uwv het door appellante bij brief van 15 december 1998 op voorhand ingediende bezwaarschrift - kennelijk in reactie op de brief van de arbeidsdeskundige van 7 oktober 1998 waarin haar is aangekondigd dat de per 6 oktober 1998 toe te kennen maximale WAO-uitkering per een korte tijd later gelegen datum zal worden ingetrokken - heeft aangemerkt als gericht tegen het primaire intrekkingsbesluit van 12 februari 1999 en dat de Raad thans in hoger beroep op 9 juni 2006 uitspraak zal doen. Daarmee is gegeven dat de totale procedure ruim 7 jaren en 3 maanden heeft geduurd. De Raad is van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden, waarbij in aanmerking is genomen dat de zaak niet als complex is aan te merken en in de opstelling van appellante geen rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure.
Voorts stelt de Raad vast dat het bezwaarschrift heeft geresulteerd in het besluit op bezwaar van 15 augustus 2000 dat in de beroepsfase is vervangen door het besluit van 16 november 2000; de procedure had op dat moment 1 jaar en ongeveer 9 maanden geduurd. Dusdoende heeft het Uwv appellante ervan afgehouden om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren.
In de ook tot dan niet als complex aan te merken zaak zelf, noch in de opstelling van appellante tot dan toe is een rechtvaardiging aangetroffen voor de procedurele handelwijze van het Uwv.

Onder verwijzing naar hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 december 2004 (LJN AR7273, JB 2005/30 en USZ 2005/56) komt de Raad op grond van het hiervoor overwogene tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd onder gegrondverklaring van het beroep tegen en vernietiging van het nieuwe besluit op bezwaar van 16 november 2000 wegens strijd met artikel 6 van het EVRM.
De Raad zal de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand laten.

De Raad acht aannemelijk dat appellante als gevolg van de buitensporig lange duur van de procedure daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan, acht om die reden termen aanwezig om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de door appellante geleden immateriële schade en stelt die schade vast op een bedrag van € 1.000,--.

Voorts acht de Raad termen tot een proceskostenveroordeling van het Uwv aanwezig met het oog op de aan appellante verleende rechtsbijstand in beroep (in totaal 3 punten) en in hoger beroep (2 punten), in totaal derhalve € 1.449,--. Daarbij tekent de Raad aan dat hetgeen in de aangevallen uitspraak is bepaald over griffierecht en proceskosten niet ook betrekking heeft op het besluit op bezwaar van 16 november 2000 en alleen in hoger beroep een bewijs van toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is overgelegd.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover die uitspraak betrekking heeft op het besluit op bezwaar van 16 november 2000;
Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 16 november 2000 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot een schadevergoeding aan appellante ten bedrage van € 1.000,--;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door appellante wegens rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.449,--, waarvan € 805,-- aan appellante en € 644,-- aan de griffier van de Raad te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 87,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x