Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX8992
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. De toegenomen arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door toegenomen psychische beperkingen die kennelijk zijn voortgekomen uit een andere oorzaak.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2384 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

De erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 maart 2004, 02/2912 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 jun 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Als gemachtigden van appellanten zijn verschenen mr. Van de Wege en A.J.C. Franssen.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 september 2002, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv besloten de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van wijlen [betrokkene], hierna: [betrokkene], welke uitkering laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 1 december 2001 vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en die uitkering met ingang van 1 november 2002 opnieuw te herzien en nader vast te stellen naar een naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Aan de aangevallen uitspraak, waarin [betrokkene] "eiser" en het Uwv "verweerder" is genoemd, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser is sedert 28 maart 1967 werkzaam geweest als palletmaker. Op 5 augustus 1974 heeft eiser deze werkzaamheden gestaakt wegens knieklachten.

Na afloop van de wettelijk voorgeschreven wachttijd heeft verweerder eiser met ingang van 4 augustus 1975 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en met ingang van 25 augustus 1975 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 1 oktober 1981 heeft verweerder de WAO-uitkering van eiser met ingang van 1 oktober 1981 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend.

Nadat eiser bij brief van 26 november 1985 had verzocht om een herkeuring in verband met toenemende pijnklachten aan rug en knie, heeft verweerder na een medische en arbeidskundig heronderzoek bij brief van 13 mei 1988 aan eiser laten weten dat hij onveranderd ingedeeld werd in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend.

Bij brief van 16 oktober 1990 heeft eiser opnieuw om een herkeuring verzocht in verband met toegenomen rechterknie- en voetklachten. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de verzekeringsarts eiser op 10 december 1990 op het spreekuur gezien. Bij besluit van 18 februari 1991 heeft verweerder geweigerd om eisers WAO-uitkering te herzien. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend.

Bij brief van 19 december 1994 heeft eiser gemeld dat hij gedurende 7 ŗ 8 uur per week werkzaamheden als schoonmaker gaat verrichten.

In een vragenlijst in verband met een herbeoordeling heeft eiser op 8 juli 1996 vermeld dat hij in 1995 in behandeling is geweest bij het Riagg in verband met manische depressiviteit.

Na een medisch en arbeidskundig heronderzoek in oktober 1996 heeft verweerder bij besluit van 16 januari 1997 eiser medegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ongewijzigd wordt vastgesteld op 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend.

In de periode van 29 augustus 2001 tot 9 januari 2002 is eiser in verband met een zeer ernstige psychose opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, waar hij is behandeld door de psychiater W.A.F. Sondermeijer.

Naar aanleiding van een medisch en arbeidskundig heronderzoek in 200 I heeft verweerder eisers WAO-uitkering bij besluit van 26 september 2001 ongewijzigd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het namens eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het betreden besluit 20 september 2002 gegrond verklaard in die zin dat eisers WAO-uitkering met ingang van 1 december 2001 wordt herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Blijkens de gedingstukken berust die herziening op arbeidskundige gronden.
Met ingang van 1 november 2002 heeft verweerder eisers WAO-uitkering herzien en opnieuw vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser op 1 december 2001 en 1 november 2002, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat was om voor hem passende arbeid te verrichten.

Namens eiser is in beroep onder verwijzing naar de conclusies van de psychiater K. Visser in diens rapport van 18 november 2002, onder meer aangevoerd dat eiser vanwege zijn psychische beperkingen reeds vanaf zijn geboorte en derhalve ook bij de aanvang van de verzekering voor de WAO, alsmede ten tijde van de toekenning van de WAO-uitkering in 1975 en van de herziening van die uitkering per 1 oktober 1981, geheel buiten staat moet worden geacht om loonvormende arbeid te verrichten. Ter zitting is voorts gesteld dat de beoordelingen door verweerder van eisers mate van arbeidsongeschiktheid in het verleden evident onjuist zijn geweest en dat verweerder deze beoordelingen alsnog zal moeten herzien."

De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat [betrokkene] op de eerste datum in geding, 1 december 2001, voor een ernstige psychose in een ziekenhuis werd behandeld en uit de medische gegevens van de behandelend psychiater Sondermeijer en van de huisarts blijkt dat [betrokkene] zowel op de eerste datum in geding als ook op de tweede datum in geding, 1 november 2002, buiten staat was om loonvormende arbeid te verrichten.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten en heeft in verband daarmee het volgende overwogen:

"De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn opvatting dat hij reeds vanaf zijn geboorte en derhalve ook ten tijde van de verschillende besluiten die verweerder in de jaren vanaf 1974 heeft genomen met betrekking tot de mate van eisers arbeidsongeschiktheid, (alsnog) als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de beschikbare gedingstukken onvoldoende ondubbelzinnige aanknopingspunten om aan te nemen dat eiser onafgebroken en geheel buiten staat is geweest om loonvormende arbeid te verrichten. In dit verband wijst de rechtbank er op dat eiser, ondanks zijn psychische gesteldheid, jarenlang - in de periode van 1967 tot 1974 - loonvormende werkzaamheden heeft verricht en ook in 1994 nog heeft aangekondigd dat hij werkzaamheden als schoonmaker zou gaan verrichten. Tevens kent de rechtbank betekenis toe aan de omstandigheid dat bij de medische heronderzoeken in 1975, 1978, 1981, 1985 en 1990 voornamelijk eisers rug- en knieklachten centraal hebben staan. Door of namens eiser is voorafgaand aan of tijdens die medische onderzoeken niet aangegeven dat hij ook psychische klachten had; evenmin heeft eiser tegen de voorliggende besluiten, waarbij de mate van zijn arbeidsongeschiktheid herhaaldelijk is vastgesteld, een rechtsmiddel ingesteld. Van belang is voorts dat de huisarts, bij wie eiser reeds geruime tijd en regelmatig onder behandeling was, eiser in 1990 weliswaar heeft verwezen naar een fysiotherapeut en naar de orthopedisch chirurg Nollen en neuroloog Van Kasteren, maar dat geen van deze artsen kennelijk aanleiding heeft gezien om eiser in verband met zijn psychische gesteldheid te verwijzen naar een psychiater.
De rechtbank benadrukt dat niet voorbij wordt gezien aan de bevindingen van de psychiaters Visser en Sondermeijer. Niettemin oordeelt de rechtbank dat die bevindingen, bezien in samenhang met de overige beschikbare gegevens, voldoende aanknopingspunten bieden voor de zienswijze dat eisers psychische gesteldheid eerst na verloop van jaren heeft geleid tot afwijkingen ten gevolge van een psychische ziekte in de zin van de WAO, in verband waarmee eiser in 1995 is behandeld door het Riagg en hij in de periode van 29 augustus 2001 tot 9 januari 2002 is opgenomen in het ziekenhuis, en die uiteindelijk heeft geresulteerd in volledige arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 27 april 1999 en 8 mei 2001, gepubliceerd in USZ 1999/165, respectievelijk RSV 2001/178 overweegt de rechtbank voorts dat artikel 37, tweede lid, WAO ertoe strekt dat het risico van ontstaan van een grotere mate van arbeidsongeschiktheid dan waarnaar de lopende WAO-uitkering wordt berekend, niet verzekerd is in zoverre die toeneming kennelijk is gelegen in een andere oorzaak dan die welke tot toekenning van die uitkering heeft geleid.

Hieruit volgt niet dat medische beperkingen die kennelijk voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing dienen te blijven, doch slechts dat, indien die beoordeling tot het oordeel leidt dat de mate van arbeidsongeschiktheid is toegenomen, herziening van de lopende uitkering wegens die toeneming achterwege blijft.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eisers beperkte psychische gesteldheid ten tijde van de toekenning van zijn WAO-uitkering, niet impliceert dat hij destijds ook beperkt was ten gevolge van een psychische ziekte of gebrek in de zin van de WAO en dat het ervoor zou moeten worden gehouden dat ook de psychische oorzaak tot toekenning van de uitkering heeft geleid. Op grond van de beschikbare gegevens acht de rechtbank niet aan twijfel onderhevig dat de toename van eisers arbeidsongeschiktheid door zijn psychische beperkingen voortkomt uit een andere oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan eiser sedert 1975 uitkering ontvangt (te weten knieklachten). In verband met het bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de WAO, moet herziening van eisers WAO-uitkering derhalve achterwege blijven."

De Raad kan zich met dit oordeel van de rechtbank verenigen en voegt aan de motivering van dat oordeel naar aanleiding hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het volgende toe.

In het onderhavige geding kan niet aan de orde zijn hoe het gesteld zou zijn met de aanspraken van [betrokkene], indien door [betrokkene] zelf of door degenen die zijn belangen hebben behartigd, tijdig een verzoek om een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet na de inwerkingtreding van die wet in 1976 zou zijn ingediend in verband met bij hem vanaf zijn geboorte bestaande gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in de zin van die wet.
Het bestreden besluit gaat over de aanspraken van [betrokkene] ingevolge de WAO en behoefde, gelet op de gang van zaken voorafgaande aan het nemen van dat besluit, ook over niets anders te handelen.

De Raad stelt vast dat [betrokkene] bij de aanvang van zijn verzekering ingevolge de WAO in 1967 een erfelijke afwijking aan beide knieŽn had en voorts een gebrek had dat door de psychiater Visser als debilitas mentis is omschreven.

Het tweede lid van artikel 18 van de WAO bepaalde, kort gezegd, dat met beperkingen, die op ziekte of gebrek berusten, die bij de aanvang van iemands verzekering ingevolge die wet reeds bestaan en die tot gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid leiden, bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid geen rekening wordt gehouden.

Dat [betrokkene] al in 1967 volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO was, zoals van de zijde van appellanten is bepleit, neemt de Raad evenals de rechtbank niet aan.

Daarbij heeft de Raad niet voorbijgezien aan de aanvullende rapportage van 21 september 2005 van de psychiater K. Visser die in hoger beroep is overgelegd.

Uit dat rapport kan de Raad hooguit afleiden dat iemand met debilitas mentis zich moeilijk in de moderne maatschappij zelfstandig staande kan houden maar, afgezien van de vraag of deze stelling ook onverkort kan gelden in het geval van [betrokkene] anno 1967, moet worden vastgesteld dat ook Visser zo iemand tot het leren van eenvoudige zaken en het uitvoeren van eenvoudige opdrachten in staat acht.

Voorts kan er niet aan voorbij worden gegaan dat tot 1995 aan toe geen enkele arts [betrokkene] in verband met psychische klachten heeft behandeld, en dat psychische klachten of daaruit voortvloeiende beperkingen ook niet worden vermeld in de gedingstukken.

Ook is van belang dat [betrokkene] vanaf 1967 tot 1974 als palletmaker tegen een beloning die boven het minimumloon lag, in loondienst heeft gewerkt en dat na zijn gedeeltelijk uitvallen wegens knieklachten door een contusie van de rechter knie een inspecteur van het GAK in 1975 rapporteerde dat [betrokkene] na die uitval halve dagen werkte en ook in dat werk nog steeds een volwaardige arbeidsprestatie leverde.

De Raad is dan ook van oordeel dat [betrokkene] bij de aanvang van zijn verzekering gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid was, hetgeen inhoudt dat de uitkering ingevolge de WAO destijds slechts is toegekend en herzien op basis van de, verergerde, kniebeperkingen, nu uit niets blijkt dat vanaf 1967 tot de herziening van de uitkering in 1981 de beperkingen van [betrokkene] op het psychisch vlak zijn gewijzigd en de in die periode reeds bestaande psychische beperkingen ingevolge het bepaalde in artikel 18, tweede lid van de WAO, niet bij de schatting in het kader van die wet konden worden betrokken en in feite ook niet zijn betrokken.

Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de in de jaren negentig toegenomen arbeidsongeschiktheid, die is veroorzaakt door ontstane of toegenomen psychische beperkingen, kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan de arbeidsongeschiktheid berustend op de, verergerde, kniebeperkingen ter zake waarvan [betrokkene] uitkering ontving.

Dit leidt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft beslist zoals zij heeft gedaan. De aangevallen uitspraak komt met de hiervoor gegeven aanvulling van de gronden voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x