Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX9151
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene was niet verplicht verzekerd voor de WAO. Er is geen sprake van een gezagsverhouding. De arbeidsrelatie wordt gekenmerkt door een familierelatie. Terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Rechtszekerheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1906 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 maart 2004, 02/1438 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.J. de Boer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2006. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.




II. OVERWEGINGEN


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser was directeur/grootaandeelhouder van [naam vennootschap], welke vennootschap op 20 oktober 1998 failliet is verklaard.
Met ingang van 2 november 1998 is eiser als algemeen directeur in dienst getreden van [naam BV] i.o. te [vestigingsplaats]. Deze B.V. is opgericht door de schoonzoon van eiser, de heer [naam schoonzoon]. Op 11 september 1998 is eisers dochter, mevrouw [naam dochter] met terugwerkende kracht tot 1 juli 1998 ingeschreven als mede-eigenaar van [naam BV]
Met ingang van 3 februari 1999 is over deze onderneming het faillissement uitgesproken.
Eiser heeft op 10 februari 1999 verweerders kantoor Utrecht verzocht om overname van de loonbetaling op grond van artikel 61 e.v. van de Werkloosheidswet (WW), omdat hij sedert 1 december 1998 geen loon heeft ontvangen. Bij besluit van 24 februari 1999 heeft verweerder dit verzoek afgewezen, onder overweging dat eiser niet is aan te merken als werknemer in de zin van de WW
(...)
Op 12 november 1999 heeft eiser verweerders kantoor Hilversum verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO wegens zijn per 1 februari 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid.
Bij besluit van 16 februari 2000 heeft verweerder eiser met ingang van 31 januari 2000 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de behandeling van de beroepsprocedure betreffende de weigering van overname betalingsverplichtingen heeft het kantoor Utrecht zich gewend tot het kantoor Hilversum. Naar aanleiding hiervan heeft het kantoor Hilversum bij besluit van 4 december 2000 eisers WAO-uitkering met ingang van 1 december 2000 geschorst.

Bij besluit van 11 januari 2001 heeft verweerders kantoor Utrecht besloten dat eiser in de periode van 2 november 1998 tot en met 6 april 1999 niet als verzekeringsplichtig in de zin van de Werkloosheidswet (WW), de WAO, de Ziektewet (ZW) en de Ziekenfondswet (Zfw) is aan te merken, omdat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding, aangezien de arbeidsrelatie zich primair kenmerkte tot een familierelatie."

Bij besluit van 1 maart 2001 heeft het Uwv het toekenningsbesluit van 16 februari 2000 ingetrokken en appellant alsnog met terugwerkende kracht de toekenning van WAO-uitkering geweigerd, omdat hij op 1 februari 1999 geen werknemer was. Bij besluit van 19 maart 2001 heeft het Uwv besloten de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen.

Het Uwv heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er sprake is van schending van de inlichtingenplicht zoals neergelegd in artikel 80 van de WAO. Subsidiair is het Uwv van oordeel dat het appellant op het moment van ontvangst van de toekenningsbeslissing redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de toekenning van de WAO-uitkering in lijnrechte tegenstelling stond met het standpunt van het Uwv-kantoor Utrecht.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat appellant ingevolge artikel 80 van de WAO bij zijn aanvraag om WAO-uitkering melding had behoren te maken van het standpunt van kantoor Utrecht, zoals bevestigd in haar uitspraken van 31 juli 2001 en 20 december 2002. Appellant was immers verplicht uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijze duidelijk kon zijn dat zij van invloed zouden zijn op zijn recht van uitkering.

Het betoog van appellant dat hij op grond van de door hem voor [naam BV] ([naam schoonzoon]) verrichte werkzaamheden als werknemer moet worden aangemerkt, stuit af op de tussen partijen door de Raad op 5 augustus 2004 in de zaken 01/4978 en 03/485 gewezen uitspraak, waarin is overwogen dat geen gezagsverhouding heeft bestaan tussen [naam schoonzoon] en appellant.

De grief dat de rechtbank en het Uwv ten onrechte er van zijn uitgegaan dat appellant de op hem ingevolge artikel 80 van de WAO rustende mededelingsverplichting heeft geschonden, ziet de Raad slagen. Daargelaten dat appellant bij zijn aanvraag geen melding kón maken van de later gewezen uitspraken van de rechtbank van 31 juli 2001 en 20 december 2002, strekt artikel 80 van de WAO er naar het oordeel van de Raad niet toe dat appellant was gehouden het Uwv mededeling te doen van diens eigen standpunt.

Dat neemt niet weg dat het appellant duidelijk was of redelijkerwijs kon zijn dat de toekenning van WAO-uitkering bij het besluit van 16 februari 2000 op een vergissing berustte, nu die toekenning op geen enkele manier in overeenstemming is te brengen met het door het Uwv tegenover appellant ingenomen en ten tijde van dat besluit (in beroep) gehandhaafde standpunt dat hij niet verzekerd was. Onder deze omstandigheden staat de rechtszekerheid, anders dan appellant meent, niet aan de intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht in de weg.

Uit het vorengemelde vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x