Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX9173
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Zijn de beperkingen van betrokkene onderschat?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/4186 WAO en 05/5340 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2003, nr. 02/2289, en 2 augustus 2005, nr. 05/1574 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


03/4186 WAO

Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Nader heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, zich als gemachtigde van appellant gesteld.

Het Uvw heeft een verweerschrift ingediend.

05/5340 WAO

Mr. De Jonge heeft namens appellant hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv is niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


03/4186 WAO

Appellant, in het genot van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, heeft zich per 20 september 2000 ziek gemeld in verband met dezelfde aandoening als die welke ten grondslag lag aan de vorige medische beoordeling, te weten knieklachten. Appellant heeft op 20 september 2000 een ingreep (nettoyage) aan zijn rechterknie ondergaan en in verband daarmee heeft het Uwv hem met ingang van die datum een uitkering krachtens de Ziektewet toegekend.
Op 1 december 2000 heeft appellant het spreekuur van verzekeringsarts K. Golab bezocht en deze achtte appellant, nadat hij hem had onderzocht en had geconstateerd dat geen sprake meer was van een duidelijk hydrops/oedeem of restricties aan de kniefunctie, per 4 december 2000 weer belastbaar volgens de eerder vastgestelde beperkingen.
Op basis van dezelfde functies als gebruikt voor de eerdere schatting is de arbeidsdeskundige M. van Klaveren op basis van de mediaan van de drie functies met het hoogste uurloon tot de opvatting gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant (wederom) vastgesteld moet worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft het Uwv vervolgens de WAO-uitkering van appellant herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% per 4 december 2000.
Bij besluit van 18 juli 2001 heeft het Uwv van appellant de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 4 december 2000 tot en met 30 juni 2001 ( 4.913,05) teruggevorderd.

Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en is vervolgens onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer die tot de conclusie is gekomen dat er geen argumenten zijn om de belastbaarheid te wijzigen.

Bij het bestreden besluit van 19 juli 2002 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de herziening van zijn WAO-uitkering en de terugvordering ongegrond verklaard.

Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak van 8 juli 2003 niet verenigen. In hoger beroep zijn kanttekeningen geplaatst bij de zorgvuldigheid van de medische beoordeling. Voorts is aangevoerd dat de medische beperkingen niet correct zijn vastgesteld. In dit verband heeft appellant zich beroepen op de op zijn verzoek door mevrouw H. Verhage, directrice van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans, uitgebrachte rapporten van 6 oktober 2003 en 25 januari 2005 alsmede op de bevindingen van de orthopedisch chirurg O. Schreuder van 19 oktober 2004.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad verwijst naar zijn bij partijen bekende uitspraak van 28 december 2001, 00/3138 WAO, waarin de Raad heeft overwogen dat ten aanzien van voor de toepassing van de WAO relevante arbeidsbeperkingen geldt dat die (ook) op in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te kunnen worden vastgesteld.
Ten aanzien van de voor appellant geldende medische beperkingen op de datum in geding heeft de Raad geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van Golab en De Brouwer. Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd omtrent zijn gezondheidstoestand kan de Raad, mede gelet op de reactie van de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest van 28 februari 2006, niet tot een ander oordeel brengen.

Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit overweegt de Raad dat hem niet is gebleken dat, gegeven de vastgestelde medische beperkingen, de voor appellant geselecteerde functies niet door hem zouden kunnen worden vervuld en dat de arbeidsdeskundige M. van Klaveren ten onrechte de mate van arbeidsongeschiktheid heeft berekend op 39,3%.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak van 8 juli 2003 komt voor bevestiging in aanmerking.

Ten slotte merkt de Raad nog op dat appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte in haar uitspraak heeft overwogen dat het feit dat de terugvordering niet is betwist, impliceert dat appellant akkoord is met de terugvordering. Nu echter in hoger beroep is geoordeeld dat de herziening van de WAO-uitkering van appellant terecht en op goede gronden is geschied, is - nu van dringende redenen om van de terugvordering af te zien niet is gebleken - terecht de onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd en behoeft deze grief van appellant geen bespreking.



05/5340 WAO

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om voortzetting van zijn uitkering heeft de verzekeringsarts A. de Cler, in verband met de eisen die appellant stelde aan een spreekuurbezoek, zich beperkt tot dossierstudie. Deze arts is op 1 april 2004 tot de conclusie gekomen dat de medische en arbeidskundige situatie onveranderd is vergeleken met de vorige beoordeling.

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant onveranderd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Op 17 september 2004 heeft verzekeringsarts De Cler appellant alsnog op het spreekuur gesproken en onderzocht. Ook na eigen onderzoek achtte De Cler de medische situatie onveranderd ten opzichte van het vorige onderzoek. Naar aanleiding van deze conclusie is de belastbaarheid zoals die was vastgesteld bij het FIS-formulier van 15 oktober 1999 neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Blijkens zijn rapportage van 17 december 2004 achtte de arbeidsdeskundige M. Keeven appellant geschikt voor de functies, vermeld onder de SBC-code 111180 (Productiemedewerker industrie), SBC-code 111220 (Magazijn/expeditiemedewerker) en SBC-code 111190 (Inpakker). Op basis van de mediaan van deze functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 35 tot 45%.

De bezwaarverzekeringsarts Van Geest heeft vervolgens in haar rapportage van 23 maart 2005, waarin ook de in bezwaar overgelegde informatie van orthopedisch chirurg Schreuder d.d. 19 oktober 2004 en van Verhage van Instituut Psychosofia d.d. 25 januari 2005 is betrokken, aangegeven dat de FML van 17 september 2004 onveranderd van toepassing is.

Bij het bestreden besluit van 24 maart 2005 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2004 ongegrond verklaard.

In hoger beroep dient, mede aan de hand van de door appellant ingediende gronden, de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht bij uitspraak van 2 augustus 2005 het beroep tegen het besluit van 24 maart 2005 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd en onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad beantwoordt de vraag of appellant per 23 juni 2004 meer beperkt was dan door het Uwv is vastgesteld ontkennend. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan het standpunt van verzekeringsarts De Cler over appellants belastbaarheid zoals neergelegd in diens rapportage van 17 september 2004, welk standpunt op 23 maart 2005 is onderschreven door bezwaarverzekeringsarts Van Geest.
Naar het oordeel van de Raad heeft verzekeringsarts De Cler bij het omzetten van het FIS-formulier van 15 oktober 1999 naar de FML van 17 september 2004 in voldoende mate rekening gehouden met de klachten van appellant. Niet is gebleken dat het door de verzekeringsarts ingestelde onderzoek onzorgvuldig, onvolledig of anderszins ondeugdelijk is geweest. De vanwege appellant overgelegde stukken maken dat niet anders. De Raad wijst in dit verband nog op het commentaar van bezwaarverzekeringsarts Van Geest op de in hoger beroep overgelegde informatie van Instituut Psychosofia van 29 september 2005 en de brief van Schreuder van 5 september 2005.

Voor wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting stelt de Raad vast dat een heldere en uitgebreide motivering waarom de geselecteerde functies passend worden geacht voor appellant op verzoek van de rechtbank op 27 juni 2005 door de arbeidsdeskundige Keeven is gegeven.
Met de rechtbank acht de Raad de arbeidskundige onderbouwing, die ook in hoger beroep - anders dan met een algemene verwijzing naar eerder aangevoerde beroepsgronden - niet meer is weersproken, op zichzelf voldoende. Onder verwijzing naar s Raads uitspraken van 9 november 2004, gepubliceerd in USZ 2004/353 en RSV 2004/351, waarin voorwaarden zijn opgenomen met betrekking tot de motivering van besluiten tot stand gekomen met behulp van het CBBS-systeem, heeft de rechtbank terecht het bestreden besluit van 24 maart 2005 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van art. 8:72, derde lid, van de Awb in stand gelaten.

Uit het vorenstaande volgt dat ook in dit geding het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht in geen van beide zaken termen aanwezig om toepassing te geven aan art. 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x