Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX9308
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Beroep ingesteld door de werkgever. Juistheid van de medische beperkingen. Vallen de geduide functies binnen het belastbaarheidspatroon?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/731 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 december 2003, 02/3732 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft P.W.L. Kloet hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft [werknemer] (hierna: werknemer) aan de Raad medegedeeld niet als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen. Voorts heeft hij daarbij toestemming gegeven om zijn medische gegevens ter kennisname van appellante te brengen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2006. Namens appellante zijn verschenen P.W.L. Kloet en ir. A.R.P. Stoeken. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Na het onderzoek ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere informatie aan de Raad verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 2 mei 2006. Namens appellante zijn verschenen P.W.L. Kloet en ir. A.R.P. Stoeken. Tevens zijn namens appellante in hun hoedanigheid van deskundigen verschenen C. Dik en H.M. van der Vegte, arbeidsdeskundigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk.




II. OVERWEGINGEN


De werknemer was werkzaam als bouwkundig tekenaar/assistent projectleider bij appellante toen hij zich op 27 augustus 1999 ziek meldde wegens overspannenheid en depressieve klachten. Kort daarna werd bij hem een HIV-infectie vastgesteld. Met ingang van 25 augustus 2000 werd de werknemer door het Uwv in het genot gesteld van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 10 december 2001 heeft het Uwv de uitkering van de werknemer met ingang van 4 februari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De werknemer heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ook appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De werknemer heeft desgevraagd aan het Uwv toestemming verleend om gegevens omtrent zijn (sociaal)medische toestand te verstrekken aan appellante. Bij besluit van 20 augustus 2002 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv deze bezwaren ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv bij de werknemer van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de omschrijvingen van de aan de werknemer voorgehouden functies (de verwoordingen functiebelasting) passen binnen het voor hem opgestelde belastbaarheidspatroon. Voor zover sprake is van zogenoemde markeringen is naar het oordeel van de rechtbank in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 10 april 2002, waarin een weergave staat van het overleg dat hieromtrent heeft plaatsgevonden tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van de werknemer op de in geding zijnde datum. Niet is gebleken dat daarbij de belasting van de functies is gerelativeerd. Volgens de rechtbank was de werknemer dan ook per 4 februari 2002 in staat te achten de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat in de aangevallen uitspraak niets is terug te vinden van hetgeen namens haar ter zitting van de rechtbank naar voren is gebracht, namelijk onder andere dat proefondervindelijk door appellante is vastgesteld dat de werknemer lichamelijk in het geheel niet in staat was om te werken. Tevens is namens appellante aangevoerd dat het rapport van de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige Dik van 11 december 2002 niet in de aangevallen uitspraak is meegewogen.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling in haar rapport van 25 juni 2002 geaccordeerde belastbaarheidspatroon van de werknemer, zoals in de primaire fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Ph. J.P. Poldervaart, geen juiste weergave vormt van de bij hem ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Greveling blijkens haar rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van de werknemer kennis droeg van de brief van de internist dr. C. van der Heul van 4 februari 2002, blijkens dewelke ten aanzien van de HIV-infectie het beeld min of meer stabiel is te noemen en het grootste probleem wordt gevormd door de vermoeidheid van de werknemer, waarvoor hij geen duidelijke verklaring heeft kunnen vaststellen. Volgens Van der Heul is het probleem echter dat deze klachten bij heel veel patiŽnten met een HIV-infectie worden gehoord zonder dat er verder andere objectieve afwijkingen aanwezig zijn. Verder droeg Greveling kennis van de brief van de huisarts van de werknemer van 24 mei 2002, waaruit onder meer blijkt dat de werknemer last heeft van moeheid en depressieve klachten en tevens van stress. Volgens de huisarts is de HIV-infectie stabiel te noemen, maar gaat het met de moeheid niet goed. Met de depressieve klachten gaat het redelijk goed dankzij de toegepaste medicatie. Op grond van het vorenstaande is er naar de mening van Greveling geen noodzaak tot wijziging van het oordeel van Poldervaart, die de werknemer, gezien zijn medisch verklaarbare reŽle moeheidsklachten, maximaal 20 uur per week belastbaar acht zonder zware fysieke activiteiten en op grond van diens persoonlijkheid zijn geestelijke belastbaarheid beperkt acht op de punten werken onder tijdsdruk, conflicterende functie-eisen, conflicthantering en verantwoordelijkheid/afbreukrisico.

De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts Greveling niet op grond van adequate verzekeringsgeneeskundige motieven heeft geoordeeld dat de belastbaarheid van de werknemer met het door de verzekeringsarts Poldervaart vastgestelde belastbaarheidspatroon niet is overschat. Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO - voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Aan een oordeel van niet-medici hierover kan daarom, op zichzelf beschouwd, geen doorslaggevende betekenis toekomen.

In eerste aanleg is namens appellante een rapport van de arbeidsdeskundige Dik van 11 december 2002 in het geding gebracht, waarin deze onder meer op medische gronden concludeert dat er voldoende redenen zijn de WAO-uitkering van de werknemer met terugwerkende kracht te herstellen naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Gelet op het feit dat Dik, zoals ter zitting van de Raad desgevraagd door hem bevestigd, geen medicus is, kan de Raad aan die conclusie niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien. In hoger beroep is namens appellante een rapport van de psychiater B.M.J. Hogenboom van 21 juli 2004 overgelegd, waarin deze - na onderzoek van de werknemer op 12 juli 2004 - onder meer als conclusie aangeeft dat de werknemer zijns inziens in september 2001 voor minder dan 25% en per de onderzoeksdatum voor maximaal 30% arbeidsgeschikt moet worden geacht. De Raad merkt ten aanzien van evengenoemd rapport - dat, zoals ter zitting namens appellante is bevestigd, is opgesteld in het kader van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering - op dat dit rapport, nog afgezien van het feit dat het niet ziet op de in geding zijnde datum, geen betrekking heeft op het kader waarvan in het onderhavige geval sprake is.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij de werknemer ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat de werknemer de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Weliswaar komen er in de functies assemblagemedewerker/samensteller (functiebestandscode 8463), assemblagemedewerker (functiebestandscode 8364) en monteur koffiezetters (functiebestandscode 8539) relevante asterisken voor bij een aantal onderdelen, maar de verzekeringsarts Poldervaart heeft op 10 april 2002 in overleg met de arbeidsdeskundige P.W. Nauta - naar het oordeel van de Raad met juistheid - geconcludeerd dat de functies binnen de medische mogelijkheden van de werknemer blijven. Ten aanzien van de actualiteit van de aan de werknemer voorgehouden functies op de in geding zijnde datum merkt de Raad ten slotte op dat hij deze met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P. Blom van 17 maart 2003 - waarover de arbeidsdeskundige Van der Vegte, naar deze ter zitting desgevraagd bevestigde, bij het opstellen van zijn ter zitting (gedeeltelijk) voorgelezen rapportage van 28 april 2006 niet de beschikking heeft gehad - in voldoende mate toegelicht acht.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x