Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX9315
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Belastbaarheid. Zijn de geduide functies passend?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3326 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 mei 2004, 03/70 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een rapportage van 6 oktober 2004 van de registerarbeidsdeskundige L.F.H.C. Dobbelaar ingezonden.

Bij brief van 7 juni 2005 heeft de Raad het Uwv verzocht om aan te geven of zijn uitspraken van 9 november 2004, (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) aanleiding geven om in de onderhavige zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op het bestreden besluit in te sturen. Het Uwv heeft bij brief van 20 juni 2005 op de hiervoor genoemde brief gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Z. Groenenberg.




II. OVERWEGINGEN


Appellant is werkzaam geweest als baliemedewerker postkantoor en is op 27 januari 1998 voor zijn werkzaamheden uitgevallen wegens rugklachten.

Op 22 maart 2002 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts H.G. van Loon, die op dezelfde dag een rapport heeft uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat appellant aangewezen is op rugsparende arbeid waarbij de bewegingen en de statische belasting beperkt zijn, maar er wel sprake is van duurzame benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid. Appellant zal volgens Van Loon in voldoende mate de bewegingen moeten afwisselen. Van Loon heeft de voor appellant vastgestelde mogelijkheden en beperkingen om in het algemeen gedurende een hele werkdag te functioneren vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML). Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige A.C. Janse functies geselecteerd. In het door Janse op 3 mei 2002 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien het maatmanloon enerzijds en de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde anderzijds, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 34,2% moet worden gesteld. Bij besluit van 24 mei 2002 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 23 juli 2002 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts K. Kok eind november 2002 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat er op enkele beoordelingspunten aanleiding is tot het doorvoeren van aanscherping van de FML en dan met name terzake van de arbeidskundige heroverweging dient het niet lang achtereen kunnen autorijden en de afwisseling in houding aandachtspunt te zijn. Appellant dient meer beperkt te worden geacht zoals is vastgelegd in de FML van 29 november 2002. De bezwaararbeidsdeskundige P. Blom heeft geconcludeerd dat evenals bij de primaire beslissing, de mate van arbeidsongeschiktheid 25 tot 35% bedraagt. Bij besluit van 19 december 2002 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft advies gevraagd aan een onafhankelijke neuroloog als deskundige om te onderzoeken of appellant geschikt is de geduide functies te verrichten. De deskundige acht appellant hiertoe geschikt en de rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de deskundige. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de geduide functies vallen binnen de ten aanzien van appellant opgemaakte FML. Appellant was dan ook naar het oordeel van de rechtbank met ingang van 23 juli 2002 voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt te achten in de zin van de WAO.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het door hem geleverde commentaar op het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige niet aan deze deskundige is voorgelegd. Tevens heeft appellant een onafhankelijke deskundige ingeschakeld om duidelijkheid te krijgen of de geduide functies geschikt voor hem zijn. De deskundige onderbouwt dat de geduide functies veel te weinig mogelijkheden tot afwisseling bieden en dat met uitzondering van de functie winkelbediende/verkoper alle functies als ongeschikt voor appellant moeten worden beschouwd.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts Kok in zijn rapport van eind november 2002 aangescherpte FML van appellant geen juiste weergave vormt van de bij hem ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt voorts dat Kok blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellant kennis droeg van de informatie van de neuroloog A.J. Breukelman van 4 maart 1998, 8 april 1998 en 20 mei 1998 en van de informatie van neurochirurg T. Vandekerckhove van 15 juni 1998, 14 september 1998, 25 januari 1999, 8 februari 1999, 25 mei 1999 en 15 november 1999.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Weliswaar komen in de functies markeringen voor bij enkele onderdelen, maar de bezwaararbeidsdeskundige Blom heeft in zijn rapportage van 11 december 2002 gemotiveerd waarom er op de onderdelen zitten, lopen en torderen geen sprake is van overschrijdingen van appellants belastbaarheid. Tevens heeft bezwaararbeidsdeskundige Blom op 25 februari 2004 naar aanleiding van het beroep bij de rechtbank nogmaals de overschrijdingen besproken. Naar aanleiding van hetgeen het Uwv in aanvulling hierop ter zitting naar voren heeft gebracht met betrekking tot de geduide functies, acht de Raad het voldoende aannemelijk dat appellant de geduide functies kan vervulllen. Hierbij merkt de Raad op dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige anders dan de gemachtigde van appellant spreekt over houdingsafwisseling en niet over afwisseling in zitten, staan en lopen. Dat laatste is voldoende verzekerd in het belastbaarheidspatroon.

De Raad wil voorts nog opmerken dat het niet voorleggen van het commentaar van de gemachtigde van appellant aan de ingeschakelde deskundige niet met zich meebrengt dat het bestreden besluit zonder meer onzorgvuldig is. De Raad wil, evenals de rechtbank, opmerken dat de bezwaararbeidsdeskundige Blom in zijn rapportage van 25 februari 2004 gemotiveerd heeft aangegeven dat in de geduide functies voldoende mogelijkheden bestaan tot afwisseling in zitten, staan en lopen. Tevens is naar het oordeel van de Raad in dit rapport genoegzaam ingegaan op de bezwaren tegen de geduide functies, welke verband houden met de opleidingseisen van die functies.

De uiteindelijk aan appellant voorgehouden functies kunnen naar het oordeel van de Raad, gelet op met name de evengenoemde rapporten van 11 december 2002 en 25 februari 2004, alsmede het verhandelde ter zitting als passend worden aangemerkt. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 34,2%. Het Uwv heeft derhalve terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bepaald op 25 tot 35%.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellant verzocht, is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x