Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX9316
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Is de medische grondslag juist?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2631 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2004, 03/2050 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prior.




II. OVERWEGINGEN


De voorgeschiedenis van de in geding zijnde herbeoordeling op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is in de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, met juistheid als volgt weergegeven waarbij appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder:
“Eiseres is tengevolge van rugklachten en depressieve klachten op 28 november 1988 uitgevallen voor haar werk als vouwster in een wasserij. Met ingang van 29 november 1989 is aan eiseres een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 juli 1991 werd eiseres voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt beschouwd. Met ingang van 14 april 1995 is de WAO-uitkering van eiseres ingetrokken, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dat 15% bedroeg. Vervolgens heeft eiseres een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna WW) ontvangen. Met ingang van 2 februari 1998 heeft eiseres zich vanuit de WW ziek gemeld met dezelfde klachten. Na een bezwaarprocedure heeft verweerder, rekening houdend met een verkorte wachttijd, met ingang van 2 maart 1998 de arbeidsongeschiktheid van eiseres op arbeidskundige gronden vastgesteld, hetgeen heeft geresulteerd in toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de klasse 80 tot 100%.”

De verzekeringsarts J.M. Mathey-Groeneveld heeft appellante op 23 april 2002 op haar spreekuur onderzocht. Op basis van de beschikbare gegevens, de anamnese, het dagverhaal, alsmede het lichamelijk en psychisch onderzoek heeft Mathey-Groeneveld blijkens haar rapport van 2 mei 2002 de diagnose chronische aspecifieke rugklachten en spanningsklachten gesteld. Voorts meldde zij dat er de afgelopen drie jaar ten aanzien van deze klachten geen nieuwe onderzoeken en behandelingen hebben plaatsgevonden. Mathey-Groeneveld concludeerde dat dezelfde belastbaarheid als bij een eerdere beoordeling in 1999 kan worden aangenomen, hetgeen zij vastlegde in de inmiddels gehanteerde (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst ((K)FML) van 13 mei 2002. Op door Mathey-Groeneveld ontvangen informatie van de huisarts, waarbij gevoegd was een brief van de behandelend internist van 6 juni 2002 met de uitslag van een botscan, tekende zij met pen aan: “gezien, geen nieuwe medische feiten”. Op basis van de (K)FML en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 27 juni 2002 vond arbeidskundig onderzoek plaats, waarbij na functieduiding geen verlies aan verdienvermogen werd vastgesteld. Vervolgens nam het Uwv het primaire besluit van 24 oktober 2002, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 23 oktober 2002 werd ingetrokken.

In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellante naast haar bezwaargronden een rapport van mevrouw Verhage, directrice van het Instituut Psychosofia van 15 april 2003, overgelegd. In dit rapport werd aan de hand van de haar ter beschikking gestelde medische stukken, de medische voorgeschiedenis van appellante beschreven, kritiek geleverd op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en vastgesteld dat uit het verhaal van appellante duidelijk een uitbreiding en verergering van de klachten naar voren kwam.

De in de bezwaarprocedure voorliggende medische gegevens van appellante zijn in het - door de bezwaarverzekeringsarts R.J. van den Oever geziene en gesuperviseerde - rapport van de verzekeringsarts L.S. Dekhuijzen van 4 juni 2003 samengevat weergegeven. Volgens Dekhuijzen stelde de behandelend sector geen afwijkingen vast behoudens een lage botmassa lumbaal, welke bevinding volgens de behandelend internist in zijn brief van 6 juni 2002 gerelateerd was aan de normaalwaarden van de Europese bevolking. Dekhuijzen liet het rapport van mevrouw Verhage buiten beschouwing omdat de gegevens daarin zijn gebaseerd op alternatieve diagnose- en behandelmethoden en niet op in de reguliere gezondheidszorg aanvaarde wijze. Vervolgens verklaarde het Uwv bij het besluit van 2 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder andere overwogen geen reden te zien de bevindingen van Mathey-Groeneveld en Dekhuijzen voor onjuist te achten, nu de namens appellante overgelegde informatie van medische aard geen ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante per de datum in geding en op de beperkingen die hieruit voortvloeien voor het verrichten van arbeid. Aan de namens appellante overgelegde rapporten van het Instituut Psychosofia hechtte de rechtbank niet die betekenis die appellante daaraan toegekend wenste te zien. In dit verband wees de rechtbank op de uitspraken van de Raad van 28 december 2001 (USZ 2002,68) en 16 april 2002, (99/1589 AAW/WAO), waaruit volgt dat ten aanzien van de voor de toepassing van de WAO relevante arbeidsbeperkingen geldt dat die op de in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te worden vastgesteld en waaraan de rapporten van dit instituut niet voldoen.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante haar bezwaren tegen het verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek en het buiten beschouwing laten van de rapporten van het Instituut Psychosofia uitvoerig uiteengezet. Ter zitting heeft de gemachtigde daaraan toegevoegd dat de jurisprudentie van de Raad, die de rechtbank heeft aangehaald, inmiddels achterhaald is door de uitspraak van de Raad van 13 juli 2005 (LJN AT9828).

De Raad stelt voorop dat de gemachtigde ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk heeft verklaard dat de bezwaren tegen het bestreden besluit alleen de medische grondslag daarvan betreffen. Bij de beoordeling van het onderhavige geding zal de Raad zich hiertoe beperken.

De Raad overweegt voorts dat hij in zijn door de gemachtigde van appellante ter zitting vermelde uitspraak een onderscheid heeft gemaakt tussen rapporten van het Instituut Psychosofia welke zien op het door dit instituut verrichte onderzoek naar de bij een belanghebbende bestaande blokkades en rapporten van dit instituut, waarin commentaar wordt geleverd op de gedingstukken. Ten aanzien van de eerstbedoelde rapporten heeft de Raad ook in deze uitspraak verwezen naar zijn inmiddels vaste jurisprudentie. Wat betreft de commentaar op de gedingstukken bevattende rapporten heeft de Raad - kort gezegd - aangegeven dat deze relevante argumenten kunnen bevatten en dat het in dat opzicht geen verschil maakt of de gemachtigde zelf argumenten bedenkt dan wel of zij zich daarbij laat adviseren door mevrouw Verhage van het Instituut Psychosofia. De eerder genoemde jurisprudentie van de Raad is, anders dan de gemachtigde meent, dan ook niet achterhaald door de uitspraak van 13 juli 2005 maar, uitsluitend als het gaat om het aanvoeren van medische beroepsgronden, verduidelijkt, hetgeen overigens ook reeds naar voren kwam in zijn ter zitting ter sprake gekomen uitspraak van 13 april 2005 (USZ 2005, 215).

Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de gedingstukken geen aanknopingspunten opleveren, die hem nopen tot het geven van een ander oordeel dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft neergelegd. De Raad overweegt daartoe dat Dekhuijzen in de bezwaarprocedure de beschikking had over de beschikbaar gestelde informatie van de behandelend sector en deze heeft beschreven en gewogen, hetgeen hem niet bracht tot een andersluidende conclusie omtrent de belastbaarheid van appellante dan Mathey-Groeneveld had vastgelegd in de FML. Van de zijde van appellante zijn ook in hoger beroep geen concrete punten genoemd, waarin deze vastlegging is tekort geschoten. Met de gemachtigde van gedaagde is ook de Raad van oordeel dat de gemachtigde van appellante in hoger beroep met name in algemene zin bezwaren naar voren heeft gebracht tegen de uitgangspunten en methoden van het verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Vergelijkbare, zij het in andere bewoordingen gestelde, kritiek klinkt ook door in bijvoorbeeld de rapporten van mevrouw Verhage van 15 april 2003 en 9 maart 2004. Dienaangaande overweegt de Raad dat hem niet gebleken is dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ook in dit geval niet heeft voldaan aan het hiervoor weergegeven, ook door de rechtbank op grond van de jurisprudentie van de Raad gestelde criterium. Dit criterium komt met name ook naar voren in de uitspraak van de Raad van 28 januari 2003 (USZ 2003,102).
Ook overigens heeft de Raad in de rapporten van mevrouw Verhage geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat ten aanzien van appellante op de datum in geding zwaardere beperkingen zouden moeten worden aangenomen.

Wat betreft de bevinding van de behandelend internist omtrent de verlaagde botmassa van appellante merkt de Raad, naast hetgeen deze arts omtrent het gehanteerde referentiemateriaal heeft aangetekend, nog op dat ter zitting niet is gebleken dat het door die internist geadviseerde aanvullend onderzoek inmiddels reeds heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de door de gemachtigde van appellante ter zitting vermelde diagnose sikkelcelanemie, welke volgens haar in 2003 bij appellante is gesteld, stelt de Raad vast dat de gemachtigde daaromtrent geen nadere informatie kon verstrekken. De Raad kan daaraan thans dan ook geen betekenis toekennen voor de beoordeling van de juistheid van de vastgestelde beperkingen op de datum in geding. Voorzover appellante van mening is dat eventueel nader onderzoek als evenbedoeld en/of evenbedoelde diagnose aanleiding geeft tot het aannemen van toegenomen beperkingen, staat het haar overigens vrij een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij het Uwv te doen dan wel, indien zij van mening is dat een en ander ook van betekenis is voor de weging van haar gezondheidstoestand op de datum in geding, het Uwv met inachtneming van de daarvoor geldende regelgeving en jurisprudentie te vragen om terug te komen van de in geding zijnde besluitvorming.

Uit al het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten en met enige aanvulling van gronden, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x