Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX9558
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4091 WAO en 04/4092 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2004, 03/122 en 03/1842 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv een nader stuk ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 29 mei 2006, waar partijen niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

De Raad gaat, bij zijn oordeelsvorming, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft laatstelijk van 7 april 1992 tot 22 april 1992 in Nederland gewerkt als schoonmaker. In april 1992 is hij uitgevallen voor dat werk wegens psychische klachten. Van 22 april 1992 tot 28 januari 1993 heeft hij een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. In januari 1993 is appellant teruggekeerd naar Marokko.
Op 15 juni 1998 heeft appellant via het Marokkaanse orgaan, de Caisse Nationale de Sécurité Sociale een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens sedert 1992 bestaande arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 26 maart 2002 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 20 april 1993 is vastgesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 18 december 2002 heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het Uwv bij besluit van 2 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) alsnog appellants bezwaar - omdat ten onrechte niet was onderkend dat op 29 april 2002 een op 17 april 2002 gedateerd bezwaarschrift was ontvangen - ontvankelijk geacht en dat bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak allereerst vastgesteld dat het Uwv het besluit van 18 december 2002 niet langer handhaaft en appellants beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.
Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit van 2 april 2003 van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Tevens is de rechtbank van oordeel dat appellant, met zijn beperkingen, in staat moet worden geacht de voor hem door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat zijn medische beperkingen, met name zijn psychische klachten, zijn onderschat en dat hij vanwege die beperkingen niet in staat is werkzaamheden te verrichten.

De Raad overweegt het volgende.

Ook de Raad ziet geen reden de voor appellant vastgestelde medische beperkingen voor het verrichten van arbeid voor onjuist te houden. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant in Marokko is onderzocht door een algemeen arts en door psychiater dr. S. Badri-George en dat de bezwaarverzekeringsarts het belastbaarheidspatroon op verschillende onderdelen nog heeft aangescherpt, onder meer ook op psychisch gebied. De Raad heeft voorts van belang geacht dat appellant geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die doen twijfelen aan de juistheid van het door de bezwaarverzekeringsarts aangepaste belastbaarheidspatroon. Weliswaar heeft appellant in bezwaar diverse, doorgaans redelijk recente medische verklaringen van behandelaars overgelegd, maar die zien niet op de in dit geding van belang zijnde datum 20 april 1993.

Met inachtneming van de vastgestelde beperkingen moet appellant, naar het oordeel van de Raad, in staat worden geacht om op en na 20 april 1993 de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding de arbeidskundige kant van de schatting voor onjuist te houden.

Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x