Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX9576
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Het UWV had nader dienen te onderzoeken wat de bedoeling was van het schrijven van betrokkene.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5250 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2004, 03/2987 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant bij brief, met bijlagen, is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 17 maart 2003, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 2 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv afwijzend beslist op appellants via de CNSS ingediende en op 5 juli 2002 gedateerde aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het Uwv heeft hiertoe overwogen dat een uitkering niet eerder dan één jaar voor de datum van aanvraag kan ingaan, in casu per 5 juli 2001, en appellant, die op 1 juli 1936 geboren is, op die datum reeds 65 jaar was, zodat appellants aanvraag niet tot toewijzing kan leiden. Het Uwv heeft nog overwogen dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkering verder dan één jaar voor datum aanvraag zou kunnen ingaan.

De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit een door haar ter zitting aan partijen ter hand gestelde en onherroepelijk geworden uitspraak van 19 november 1996, met het registratienummer 95/1863/21, blijkt dat de rechtsvoorganger van het Uwv eventuele bij appellant bestaande arbeidsongeschiktheid geheel en blijvend buiten aanmerking heeft gelaten met ingang van 17 maart 1987 omdat appellant zonder deugdelijke grond heeft geweigerd mee te werken aan medische onderzoeken naar zijn arbeidsongeschiktheid, zodat de kwestie met betrekking tot appellants aanvraag is beslecht.

Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar een negentiental medische verklaringen, aangevoerd dat hij sinds 1986 volledig arbeidsongeschikt is, dat hij reeds (meermaals) voor 5 juli 2002 een WAO-uitkering heeft aangevraagd en dat hij niet geweigerd heeft mee te werken aan het medisch onderzoek door de rechtsvoorganger van het Uwv.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is op grond van voornoemde uitspraak van de rechtbank van 19 november 1996 en de dossierstukken van oordeel dat het Uwv niet adequaat gereageerd heeft op appellants schrijven van 24 oktober 2001 en het bij dat schrijven kennelijk gedane verzoek tot toekenning van een WAO-uitkering. De Raad overweegt daartoe dat nu eventuele bij appellant bestaande arbeidsongeschiktheid bij besluit van 26 januari 1995 door de rechtsvoorganger van het Uwv geheel en blijvend buiten aanmerking is gelaten, het op de weg van het Uwv had gelegen nader te onderzoeken wat de bedoeling was van appellant met zijn schrijven van 24 oktober 2001. Nu het Uwv dit heeft nagelaten acht de Raad het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

De Raad ziet gelet op het voorgaande aanleiding het Uwv te veroordelen tot betaling van de kosten die appellant in verband met het beroep heeft moeten maken. De Raad begroot deze kosten op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg. De Raad is niet gebleken van verdere voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,-;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het griffierecht ad € 133,- vergoedt.

Aldus gegeven door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x