Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX9608
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om schadevergoeding als gevolg van de vertraagde afhandeling van de ziekmelding, waardoor betrokkene twee levensverzekeringen heeft moeten opzeggen. Forfaitaire schadevergoeding overeenkomstig artikel 6:119 van het BW.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/4659 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 juli 2004, 04/8 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.J. Butter, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Butter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman.




II. OVERWEGINGEN


Appellant ontvangt met ingang van 18 juni 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Naar aanleiding van een brief van appellant van 14 januari 2002, waarin hij onder meer aangaf overspannen te zijn geworden, heeft het Uwv bij besluit van 10 oktober 2002 de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2002 verhoogd en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Mr. Butter heeft bij brief van 13 januari 2003 namens appellant aan het Uwv verzocht om schadevergoeding in verband met de door appellant geleden schade als gevolg van de vertraagde afhandeling van zijn ziekmelding.

Het Uwv heeft bij besluit van 24 maart 2003 appellant een schadevergoeding toegekend van € 216,61, bestaande uit de wettelijke rente. Bij besluit van 28 maart 2003 heeft het Uwv geweigerd de schade te vergoeden die appellant heeft geleden als gevolg van het opzeggen van twee levensverzekeringen. De bezwaren van appellant tegen deze twee besluiten heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen.

“Het besluit op de aanvraag van eiser om herziening van zijn uitkering ingevolge de WAO in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid is genomen in strijd met artikel 87, tweede lid, van de WAO. Ingevolge deze bepaling bedroeg de beslistermijn in dit geval dertien weken, welke termijn is overschreden. Na ommekomst van die termijn was verweerder, nu er geen verdaging heeft plaatsgevonden, in verzuim.
Met de toekenning door verweerder van een vergoeding van de schade ten gevolge van het niet tijdig beslissen, bestaande uit de wettelijke rente, heeft verweerder erkend dat in strijd met laatstgenoemd artikel is beslist en derhalve onrechtmatig is beslist. Hiermee is de onrechtmatigheid van het besluit gegeven, hetgeen meebrengt dat de daaruit voortvloeiende schade in beginsel voor rekening van verweerder komt. Het feit dat eiser niet is opgekomen tegen het niet tijdig beslissen door verweerder laat de onrechtmatigheid van het besluit onverlet.
Uit het niet tijdig beslissen volgt dat verweerder nalatig is gebleven uitkering betaalbaar te stellen over de periode van 11 maart 2002 tot 10 oktober 2002. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de schadevergoeding verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom in aansluiting op artikel 6:119 BW bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De wijze van berekenen en de hoogte van de toegekende wettelijke rente is niet in geding.

Artikel 6:119 BW normeert de omvang en duur van de schadevergoedingsverplichting van de debiteur, waarbij de grootte van de daadwerkelijk geleden schade niet relevant is. Naar, in aansluiting bij het civiele recht, vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), staat het partijen niet vrij te bewijzen dat in werkelijkheid een andere schade is geleden dan de conform de wet forfaitair vastgestelde schade.

Namens eiser is nog aangevoerd dat de werkelijk door hem geleden schade vergelijkbaar is met fiscale schade, welke schade wel voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking pleegt te komen. De rechtbank is van oordeel dat de namens eiser gestelde schade moet worden aangemerkt als door de vertraging zelf geleden schade, met het oog waarop de bepalingen van artikel 6:119 BW in verband met de rechtszekerheid de daar weergegeven vaste maatstaf ter zake van de wettelijke rente voorschrijven. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is fiscale schade van andere aard dan de door die vertraging zelf geleden schade.”

In hoger beroep heeft appellant met een beroep op een uitspraak van de Raad van 17 augustus 1999 (LJN AA5045) het standpunt ingenomen dat de schade die hij heeft geleden ten gevolge van het opzeggen van de twee levensverzekeringen (pensioenschade) niet vermijdbaar is geweest en daarom te vergelijken met fiscale schade. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat de fixatie van de vertragingsschade middels de wettelijke rente doorbroken zou kunnen worden door de goede trouw respectievelijk de redelijkheid en billijkheid. In dit kader beroept appellant zich op een noot onder een arrest van de Hoge Raad van 2 november 1990, NJ 1992/83.

De Raad kan de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank volledig onderschrijven en is van oordeel dat de grieven van appellant niet kunnen slagen. In de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad heeft de Raad uitgesproken dat pensioenschade schade is die is veroorzaakt, doordat het bestuursorgaan niet tijdig de juiste uitkering heeft uitbetaald, zodat geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de geclaimde pensioenschade. Anders dan kennelijk appellant kan de Raad in die uitspraak geen aanknopingspunten vinden voor het standpunt dat het verschil tussen vermijdbare en niet-vermijdbare schade het onderscheidend criterium is tussen de schade die gedekt wordt door de wettelijke rente en schade die niet gedekt wordt door de wettelijke rente.

In de noot onder het hiervoor genoemde arrest is inderdaad het standpunt ingenomen dat men zeer schrijnende toepassing van artikel 6:119 BW zou kunnen voorkomen door een beroep daarop in die gevallen in strijd te achten met de goede trouw respectievelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te oordelen. De Raad merkt op dat de annotator daarbij tevens heeft opgemerkt dat hij voor zijn opvatting nog weinig steun in de Nederlandse jurisprudentie en literatuur heeft gevonden en wijst tevens op een recent arrest van de Hoge Raad van 14 januari 2005 (LJN AR0220), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de strekking van artikel 6:119 BW ook meebrengt dat het in die bepaling aangewezen fixum niet door de werking van de redelijkheid en billijkheid kan worden opzijgezet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x