Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AX9623
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Er is geen sprake van verlies aan verdiencapaciteit.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/4416 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2003, 02/1190 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.G. Burgers, thans advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft op 24 februari 2004 een rapport van de psychiater J. de Jonge van 14 november 2003 ingestuurd.

Het Uwv heeft bij brief van 5 maart 2004 een aantal stukken uit onder andere een eerdere beroepsprocedure overgelegd en heeft op 13 april 2004 een reactie van de psychiater M.L. Stek van 22 maart 2004 op het rapport van De Jonge overgelegd. Op deze reactie heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 4 juni 2004 het commentaar van De Jonge van 31 mei 2004 ingediend. Hierop zond het Uwv op 29 juni 2004 wederom een reactie van Stek.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 10 mei 2005 een aantal stukken overgelegd.

De Raad heeft de psychiater prof. dr. G.F. Koerselman benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Koerselman heeft met zijn rapport van 2 februari 2006 schriftelijk verslag gedaan van zijn onderzoek.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 24 maart 2006 een reactie van appellant en van de psychiater J.V.M. Marhold op het rapport van Koerselman overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellant was werkzaam als lader/losser toen hij op 14 mei 1993 uitviel vanwege een bedrijfsongeval waardoor hij een wijsvinger verloor. Na afloop van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 13 mei 1994 een uitkering ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is aanvankelijk met ingang van 4 december 1995 ingetrokken, maar tijdens de beroepsprocedure daartegen heeft het Uwv uiteindelijk bij besluit van 19 augustus 1997 naar aanleiding van het in die procedure uitgebrachte rapport van Koerselman van 16 mei 1997 onder andere de WAO-uitkering met ingang van 4 december 1995 onveranderd voortgezet. Volgens Koerselman golden voor appellant op en na 4 december 1995 zodanig ernstige beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van psychiatrische ziekte - Koerselman sprak van een aspecifieke psychotische, een depressieve en een posttraumatische stressstoornis - dat hij de hem toen voorgehouden functies niet kon vervullen.

Appellant is vervolgens op 25 augustus 1999 door de verzekeringsarts J.D. van de Nieuwe Giessen onderzocht. Volgens zijn rapport van 2 september 1999 zag Van de Nieuwe Giessen geen (rand)psychotische man voor zich en maakte appellant ook geen depressieve indruk. Voorts was zijn presentatie ook geheel anders dan hetgeen naar voren kwam uit evengenoemd rapport van Koerselman. Als diagnose stelde Van de Nieuwe Giessen “Overige psychische stoornissen, moeilijk te duiden beeld” en hij concludeerde onder andere tot beperkingen in het energetische en motorische vlak, alsmede ten aanzien van stress en conflicthantering. Zijns inziens was de functie van de arm en hand goed en hij zag geen reden die functie te beperken. Een en ander legde hij vast in een bij zijn rapport gevoegd belastbaarheidprofiel, waarin onder andere beperkingen werden vermeld ten aanzien van de onderdelen 28A (werken onder tijdsdruk) en 28E (conflicthantering). Na functieduiding bij het arbeidskundig onderzoek, waarbij geen verlies aan verdienvermogen werd vastgesteld, heeft het Uwv vervolgens bij besluit van 16 december 1999 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 februari 2000 ingetrokken.

In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellant gewezen op de informatie van de behandelend psychiater van de Riagg Amsterdam Oost van 1 september 1999, waarin sprake was van een depressieve stoornis met psychotische verschijnselen en fantoompijnen.

De bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg heeft vervolgens de psychiater M.L. Stek verzocht een expertise uit te brengen omtrent appellant. In zijn rapport van 26 september 2000 gaf Stek aan dat er sprake was van een gecompliceerd probleem ten aanzien van diagnostiek en beoordeling. Volgens Stek waren de presentatie van appellant, de wijze van contactname en de indruk bij het psychiatrisch onderzoek niet in overeenstemming met het ernstig psychiatrisch beeld waarvan Koerselman in 1997 sprak. Stek benoemde differentiaal diagnostisch een aantal opties die hij tentatief in DSM-termen vertaalde als een matig tot ernstige depressieve stoornis, een dysthyme stoornis, een nagebootste stoornis en simulatie. Voor simulatie zag Stek overigens in eerder verricht onderzoek noch in zijn eigen onderzoek harde aanwijzingen naar voren komen. Uitgaande van een psychiatrisch ziektebeeld formuleerde Stek ten slotte een aantal beperkingen. Vervolgens concludeerde Ruitenberg in zijn rapport van 27 oktober 2000 dat, met inachtneming van het rapport van Stek, de beperkingen van appellant bij de primaire beoordeling niet waren onderschat. Daarna verklaarde het Uwv bij zijn besluit van 1 december 2000 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 16 december 1999 ongegrond.

In beroep heeft de gemachtigde van appellant met name grieven aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. In dit verband heeft de gemachtigde ten aanzien van het rapport van Stek onder andere gesteld dat ten onrechte het inwinnen van informatie bij de behandelend sector achterwege is gebleven.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Ten aanzien van het rapport van Stek vermeldde de rechtbank dat zij onder andere beschikte over de informatie van de RIAGG en dat de door Stek genoemde beperking in de tijd naar haar oordeel niet zag op een urenbeperking ten aanzien van arbeid maar in het aantal uren waarin appellant belastbaar was op de door Stek genoemde aspecten.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zijn in eerste aanleg voorgedragen gronden in essentie herhaald. Voorts heeft hij het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van De Jonge overgelegd. De Jonge diagnosticeerde naar aanleiding van zijn onderzoek in oktober en november 2003 een psychotische stoornis, niet anders omschreven (jnun) en een depressieve stoornis met een ernstig chronisch beloop.
Hij formuleerde een aantal beperkingen maar liet de vraag of appellant benutbare mogelijkheden had voor duurzame loonvormende arbeid over aan de arbeidsdeskundige. Voorts formuleerde De Jonge kritiekpunten op het onderzoek van Stek, hetgeen leidde tot reacties van Stek en De Jonge over en weer.

De Raad heeft in een en ander aanleiding gezien Koerselman te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Blijkens zijn rapport van 2 februari 2006 vond Koerselman bij zijn onderzoek op 15 december 2005 geen aanwijzingen voor wanen, hallucinaties of andere psychotische verschijnselen. De mededelingen van appellant over stemmen achtte Koerselman te aspecifiek om als hallucinaties aan te merken. Wel maakte de stemming een wat matte en dysfore indruk. Als diagnose gaf Koerselman een dysthyme stoornis. Voorts gaf Koerselman aan dat het beeld thans anders is dan bij zijn onderzoek waarover hij rapporteerde op 16 mei 1997. Volgens Koerselman ontbreken thans de destijds vastgestelde evidente symptomen van angst en spanning en is ook het klachtverhaal thans anders, waardoor hij de toen gestelde - en hiervoor vermelde diagnose - dan ook niet meer kan terugvinden. Op basis van de summiere gegevens uit de behandelend sector, alsmede het onderzoek van Van de Nieuwe Giessen en het rapport van Stek achtte Koerselman het aannemelijk dat er op de thans in geding zijnde datum - 7 februari 2000 - inderdaad sprake was van een verbetering van de toestand van appellant ten opzichte van het onderzoek in 1997. Voorts achtte Koerselman de toestand van appellant bij zijn huidig onderzoek nog iets beter dan in 2000. Koerselman gaf verder aan dat, wanneer de verschillende ijkpunten, waarover documentatie aanwezig is - Koerselman noemt de jaren 1995, 1997, 1999, 2000, 2003 en 2005 - met elkaar worden vergeleken, het aannemelijk lijkt dat het beeld af en toe wat wisselt. Voorts is Koerselman van oordeel dat de bevindingen in 1999/2000 en 2005 redelijk overeenkomen en dat mogelijk in 2003, de periode waarin De Jonge rapporteerde, sprake was van relatieve terugval. Koerselman concludeerde dat ook in 2000 naar alle waarschijnlijkheid sprake was van een - ook door Stek genoemde - dysthyme stoornis en Koerselman kon zich verenigen met het door Van de Nieuwe Giessen vastgestelde belastbaarheidsprofiel en achtte de voorgehouden functies niet in strijd met dit profiel.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad tekent daarbij aan dat naar zijn oordeel de deskundige zijn conclusies uitvoerig heeft onderbouwd en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom hij - evenals trouwens Van de Nieuwe Giessen en Stek bij hun onderzoeken - tot de slotsom kwam dat het medisch beeld ten aanzien van appellant bij zijn huidig onderzoek en op de datum in geding verschilde van dat bij zijn onderzoek in 1997. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om de in rubriek I van deze uitspraak reeds vermelde reactie van Marhold alsnog aan Koerselman voor te leggen.
De reactie is summier van aard en heeft naar zijn aard en inhoud - appellant is eerst sinds september 2005 onder behandeling van Marhold - geen betrekking op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. De Raad merkt overigens nog op dat Koerselman blijkens hetgeen hij in zijn rapport van 2 februari 2006 onder het kopje “Anamnese” heeft vermeld door appellant geďnformeerd is over de behandeling door Marhold en de betekenis daarvan voor appellant.

Uit al het vorenstaande volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Voorts valt uit het rapport van Koerselman af te leiden dat appellant vanuit medisch oogpunt bezien geschikt moet worden geacht op de datum in geding de hem door de arbeidsdeskundige J.L.M. de Boer blijkens haar rapport van 3 december 1999 voorgehouden functies van onder andere verspener, printplatenmonteur en afwerker kunststofproducten te vervullen.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x