Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY3597
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting met behulp van het CBBS. Motivering. Instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2671 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 1 april 2004, 03/613 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.J. Douwes, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M. de Jonge, advocaat te Apeldoorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Liesting.




II. OVERWEGINGEN


Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, is op 22 oktober 1999 uitgevallen met psychische klachten. In verband hiermee is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 13 augustus 2001 heeft appellant zich ziek gemeld wegens nek- en rugklachten als gevolg van een verkeersongeval op 10 augustus 2001, in verband waarmee een beoordeling op grond van de Ziektewet (ZW) heeft plaatsgevonden. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 24 juli 2002 onderzocht door verzekeringsarts K. Wüstefeld, die blijkens zijn rapport van 25 juli 2002 een whiplashtrauma en een aanpassingsstoornis constateerde en een psychiatrische expertise noodzakelijk achtte. Naar aanleiding hiervan is appellant op 26 augustus 2002 onderzocht door psychiater D.G. Buiten. In zijn rapport van 28 augustus 2002 constateerde deze psychiater een verergering van de sinds 1999 bestaande agressieproblematiek, zich uitend in driftbuien. Op basis hiervan concludeerde verzekeringsarts Wüstefeld in zijn rapport van 18 september 2002 dat appellant door zijn agressieve gedrag beperkingen heeft en dat hij tevens lichte beperkingen ten aanzien van zijn nek heeft, welke beperkingen werden neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum. Uitgaande van deze beperkingen heeft arbeidsdeskundige A.G.C. Moes in zijn rapport van 26 september 2002 vier functies geselecteerd (Sbc-codes 111220, 282080, 264120 en 272020) en de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op 15 tot 25%. In overeenstemming hiermee is de uitkering van appellant ingevolge de WAO bij besluit van 1 oktober 2002 met ingang van
12 augustus 2002 ongewijzigd vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker, mede op basis van informatie van huisarts H.F. van der Werff van 10 april 2003 en gegevens naar aanleiding van voormelde beoordeling in het kader van de ZW, in haar rapport van 23 mei 2003 geoordeeld dat als gevolg van het ongeval sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van (tenminste gedeeltelijk) dezelfde klachten als voorheen. Zij heeft geconcludeerd dat zij zich met de aangegeven mogelijkheden kan verenigen op datum onderzoek, maar niet op datum einde wachttijd (16 september 2001), die vier weken na het ongeval ligt. In aansluiting hierop is het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit van 27 mei 2003 gegrond verklaard en is appellant met toepassing van artikel 39a van de WAO met ingang van 17 september 2001 (lees: 10 september 2001) alsnog voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt beschouwd en is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 2 december 2002 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de medische onderzoeken onjuist zijn uitgevoerd, dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, dat niet duidelijk is hoe zijn beperkingen als gevolg van zijn agressieve gedrag zich verhouden tot de vastgestelde - geringe - mate van zijn arbeidsongeschiktheid en dat een nader medisch onderzoek had moeten plaatsvinden. Bij brief van 30 maart 2006 is namens appellant meegedeeld dat hij onder behandeling is van een psychiater. Bezwaararbeidsdeskundige G.J.A. Smelt heeft in zijn rapporten van 13 juni 2005 en 16 februari 2006 het standpunt van het Uwv nader toegelicht.

Met betrekking tot de medische component van de schatting overweegt de Raad in de eerste plaats geen aanleiding te zien om de medische onderzoeken, welke aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, onvoldoende zorgvuldig te achten. Voorts ziet de Raad in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat gedaagde, in navolging van bezwaarverzekeringsarts Reker, de belastbaarheid van appellant op de datum in geding onjuist heeft ingeschat. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de belastbaarheid van appellant overeenstemt met dat van psychiater Buiten op datum onderzoek en dat zowel de informatie van huisarts Van der Werff, als de gegevens naar aanleiding van de beoordeling in het kader van de ZW, door de bezwaarverzekeringsarts bij haar oordeel zijn meegewogen. Overigens heeft appellant in beroep noch in hoger beroep medische informatie ingebracht, die zijn standpunt nader zou kunnen staven. Aan het enkele feit dat appellant thans onder behandeling is van een psychiater, kan de Raad niet het gewicht hechten dat appellant daaraan gehecht wenst te zien, nu dit geen betrekking heeft op de datum in geding. Onder deze omstandigheden ziet de Raad ook geen aanleiding voor het instellen van een nader onderzoek door een deskundige.

Ten aanzien van de arbeidskundige component van de schatting overweegt de Raad het volgende. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is bepaald met behulp van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Ten aanzien van dit systeem heeft de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om het CBBS niet in beginsel aanvaardbaar te achten maar dat er, omdat dit systeem een aantal onvolkomenheden bevat, hoge eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op het bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval dat in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een besluit op bezwaar dat vóór 1 juli 2005 is genomen, alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

In hoger beroep heeft bezwaararbeidsdeskundige Smelt nader gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies met betrekking tot de zogenoemde niet-matchende items, waaronder het item ‘agressieregulering’, de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan. De Raad acht deze nadere motivering, alsook die met betrekking tot de overige niet-matchende items, toereikend. Voorts heeft deze arbeidsdeskundige nader gemotiveerd waarom ten aanzien van twee aan de schatting ten grondslag gelegde functies (Sbc-codes 111220 en 282080) sprake is van signaleringen op items waarop appellant niet beperkt is. Ook deze nadere motivering acht de Raad toereikend. De Raad is ook overigens niet gebleken dat de onderhavige schatting op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust.

Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de conclusie dat in hoger beroep de ontbrekende onderbouwing van het bestreden besluit, dat vóór 1 juli 2005 is genomen, alsnog is gegeven. Gelet op ’s Raads standpunt met betrekking tot het CBBS leidt dit tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit en tot de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,--vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x