Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO / ZW
x
LJN:
x
AY3608
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering ziekengeld. Ingangsdatum. WAO-schatting. Zorgvuldigheid van het medisch en arbeidskundig onderzoek.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3693 WAO en 04/3694 ZW




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2004, 03/453 en 03/1794 (hierna respectievelijk: aangevallen uitspraak 1 en 2),

in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

en

appellant.

Datum uitspraak: 5 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006, waarbij de gedingen gevoegd zijn behandeld. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren.




II. OVERWEGINGEN


04/3694 ZW

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft gewerkt als metaalbewerker en is op 17 januari 2000 voor dit werk uitgevallen wegens knieklachten. In het kader van een eindewachttijdbeoordeling op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft de verzekeringsarts M. Rietveld op 5 december 2000 een rapport uitgebracht, waarin als diagnose retropatellaire chondropathie is vermeld. Voorts is vermeld dat intensieve belasting van de knieën is af te raden. De in dit verband aangenomen beperkingen zijn vastgelegd in een belastbaarheidspatroon van 5 december 2000. Aan de hand van dit belastbaarheidspatroon zijn door de arbeidsdeskundige K. Notten functies geselecteerd. Appellant is blijkens het rapport van Notten van 2 augustus 2001 onder meer geschikt geacht voor de functies van inlegger, meubelspuiter en pakhuismedewerker. Bij besluit van 10 augustus 2001 is aan appellant per 15 januari 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 december 2001 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich per 24 december 2001 ziek gemeld wegens onder meer psychische klachten, op welk moment hij naast een WAO-uitkering ook een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Op 2 mei 2002 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts N.H. Sharif, die op de medische kaart onder meer heeft vermeld dat het bewustzijn van appellant helder was, dat hij geen oogcontact maakte, dat hij simuleerde, dat zijn stemming licht somber was en dat hij zich wat agressief gedroeg. Volgens Sharif was de ziekmelding in principe te beschouwen als een protestziekmelding en was er geen reden om ziekengeld te verstrekken. Bij besluit van 25 juli 2002 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat geweigerd wordt om per 24 december 2001 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar heeft appellant op 16 december 2002 gehoord en op dezelfde datum een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellant tijdens de hoorzitting de volgende indruk maakte: “helder bewustzijn, normofoor, mijdt oogcontact, reageert adequaat op gestelde vragen”. Voorts is vermeld dat appellant sinds mei 2002 vrijwilligerswerk verricht en dat dit in tegenspraak is met de claim van appellant dat hij sinds 24 december 2001 onafgebroken last zou hebben van depressieve klachten. Ebbelaar is tot de conclusie gekomen dat appellant terecht niet ongeschikt is geacht voor zijn arbeid.

Bij besluit van 18 december 2002 (hierna: bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juli 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat appellant, naar objectieve maatstaven gemeten, op medische gronden niet in staat zou zijn arbeid te verrichten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat aan appellant uit zorgvuldigheidsoogpunt tot 7 mei 2002 ziekengeld is uitbetaald en dat de weigering om per 24 december 2001 een ZW-uitkering toe te kennen in verband daarmee niet gehandhaafd kan blijven. De rechtbank heeft aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien en wel aldus dat appellant (eerst) per 7 mei 2002 geen recht meer heeft op ziekengeld.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn medische situatie is verslechterd.

De Raad overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder "zijn arbeid" verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de AAW en/of de WAO. Nu deze concretisering in het kader van de AAW en WAO betekent dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder "zijn arbeid" in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor "zijn arbeid", als hij voor al deze functies ongeschikt is. In het onderhavige geval moet als “zijn arbeid” worden aangemerkt elk van de hiervoor vermelde functies die aan appellant zijn voorgehouden in het kader van de toekenning van de WAO-uitkering van appellant per 15 januari 2001.

Het standpunt van het Uwv dat appellant geschikt was voor zijn arbeid berust op eigen onderzoek door zowel de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts. Gezien de beschikbare verzekeringsgeneeskundige rapporten en de overige medische informatie is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat appellant ten onrechte geschikt is geacht voor zijn arbeid. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant ter ondersteuning van zijn hoger beroep geen nadere medische informatie heeft ingebracht.

Het hoger beroep in dit geding slaagt derhalve niet, zodat aangevallen uitspraak 1, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.



04/3693 WAO

In dit geding gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 22 januari 2002 is appellant in verband met een heronderzoek in het kader van de WAO onderzocht door de verzekeringsarts J.D. van de Nieuwegiessen, die hierover op dezelfde datum een rapport heeft uitgebracht. In dit rapport is vermeld dat appellant heeft aangegeven last te hebben van een soort wegrakingen, waar de behandelend neuroloog geen oorzaak voor heeft kunnen vinden, en dat appellant naar een psychiater is doorverwezen. Van de Nieuwegiessen heeft in dit verband voorts vermeld dat appellant tijdens het onderzoek geen vermoeide, depressieve of angstige indruk maakte en dat er geen reden is om extra beperkingen aan te nemen. Volgens Van de Nieuwegiessen was het belastbaarheidspatroon van 5 december 2000 nog onveranderd van kracht. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige R. van Bakel aan de hand van dit belastbaarheidspatroon functies geselecteerd. In het door Van Bakel op 19 maart 2002 uitgebrachte rapport is aangegeven dat de mate van arbeidsongeschiktheid binnen de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% valt. Bij besluit van 20 maart 2002 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering per 20 mei 2002 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar appellant gehoord en medisch onderzocht. Hierover heeft Ebbelaar op 30 september 2002 een rapport uitgebracht. In dit rapport is vermeld dat appellant tijdens het eerste ziektejaar last had van concentratiestoornissen en vergeetachtigheid, maar dat deze klachten geen aanleiding gaven tot het aannemen van beperkingen op psychisch vlak. Ebbelaar maakt er melding van dat appellant onder behandeling is bij de Riagg en dat tijdens de intake een atypisch depressief beeld is vastgesteld, maar dat noch bij het onderzoek door de primaire verzekeringsarts noch bij het medisch onderzoek in de bezwaarfase aanwijzingen voor een depressieve stoornis zijn gevonden. Volgens Ebbelaar is geen reden voor het aannemen van een urenbeperking en is er ook anderszins geen reden om van verdergaande beperkingen uit te gaan.
Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige D.J. Rooze de arbeidskundige grondslag van het besluit van 20 maart 2002 opnieuw bezien en hierover op 10 januari 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is aangegeven dat twee functies, die niet primair aan de schatting ten grondslag lagen, dienen af te vallen, aangezien zij op 20 mei 2002 niet voldoende actueel meer waren. Volgens Rooze geldt anderzijds dat, in verband met een recente actualisatie, twee functies op 20 mei 2002 een hogere loonwaarde hadden dan was aangenomen en dat dit meebrengt dat de mate van arbeidsongeschiktheid op 12,21% uitkomt.

Bij besluit van 6 maart 2003 (hierna: bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2002 ongegrond verklaard. Hierbij is vermeld dat niet ten nadele van appellant wordt teruggekomen op de eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de beschikbare medische gegevens niet blijkt dat er sprake is van te objectiveren verdergaande medische beperkingen en dat de voorgehouden functies als passend kunnen worden aangemerkt.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij is ingedeeld in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse, terwijl zijn medische situatie alleen maar slechter is geworden.

De Raad overweegt als volgt.

De vaststelling van de belastbaarheid is gebaseerd op eigen onderzoek door de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, waarbij de beschikbare informatie van de Riagg is meegewogen. Zowel de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts zijn tot de conclusie gekomen dat de door appellant aangegeven psychische klachten, gezien hun bevindingen bij eigen onderzoek, geen aanleiding vormen voor het aannemen van beperkingen op psychisch vlak. De Raad heeft geen aanleiding gevonden voor twijfel aan dit oordeel. Hierbij merkt de Raad nog op dat appellant ook in dit geding geen nadere medische informatie heeft ingebracht.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de onderhavige schatting overweegt de Raad het volgende. Uitgaande van de vastgestelde belastbaarheid kunnen de aan appellant voorgehouden functies in medisch opzicht als passend worden aangemerkt. Ook anderszins kunnen deze functies als geschikt worden beschouwd. Gezien de aan de desbetreffende functies te ontlenen loonwaarde is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% naar het oordeel van de Raad niet onderschat.

Uit het voorgaande volgt dat ook het hoger beroep in dit geding geen doel treft en dat aangevallen uitspraak 2 zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraak 1, voorzover aangevochten;
Bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x