Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY3767
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/4230 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2004, 03/845 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.R. Molenaar, werkzaam bij MCI Bedrijfsadviseurs te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.




II. OVERWEGINGEN


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was laatstelijk werkzaam als fiscaal technisch medewerkster bij de Belastingdienst. Als gevolg van rugklachten met uitstraling naar de benen heeft zij zich op 16 februari 2001 ziek gemeld.

Verzekeringsarts A.L. Mathoera heeft in zijn rapport van 12 maart 2002 met betrekking tot zijn onderzoek op 26 februari 2002 vastgesteld dat appellante beperkingen heeft voor statische en dynamische belasting van de rug. Mathoera heeft vervolgens een functionele mogelijkhedenlijst (fml) opgesteld waarbij diverse rugsparende beperkingen zijn aangenomen. Uit de rapportage van arbeidsdeskundige H.H.M. van de Graaf van 10 mei 2002 blijkt dat een vergelijking van het voor appellante geldende maatmaninkomen met het loon dat appellante nog kan verdienen met de voor haar passend te achten werkzaamheden resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 2,58%.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 mei 2002 geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 15 februari 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Namens appellante heeft mr. Molenaar tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Hierbij is aangevoerd dat sprake is van verdergaande beperkingen dan door verzekeringsarts Mathoera is aangenomen als gevolg van appellantes rugklachten op grond waarvan zij in het geheel niet tot het verrichten van arbeid in staat was.

In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns informatie opgevraagd bij, en ontvangen van, appellantes huisarts F. Poelstra d.d. 10 oktober 2002, haar voormalige huisarts J. Nauta d.d. 21 november 2002, appellantes behandelend neuroloog B.J.M. van Moll d.d. 9 augustus 2001 en 5 november 2001 en orthopedisch chirurg H. Meijers d.d. 7 juni 2002. Voorts is namens appellante informatie overgelegd van de behandelend assistent neurochirurg R. Herz te BelgiŽ d.d. 9 december 2002 en 10 januari 2003.

Op basis van dossieronderzoek en voormelde informatie heeft Brouns zich in een ongedateerd rapport (gedingstuk B31), alsmede in de rapporten van 13 december 2002 en 30 januari 2003 op het standpunt gesteld dat de door verzekeringsarts Mathoera opgestelde fml in voldoende mate rekening houdt met appellantes beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Wat betreft de informatie afkomstig van dr. Herz is Brouns van mening dat hieruit naar voren komt dat de situatie van appellante in december 2002 verslechterd is ten opzichte van de in geding zijnde datum.

Bij besluit van 5 februari 2003, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

Het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het Uwv voldoende rekening heeft gehouden met de door appellante verstrekte medische informatie en voorts dat voor zover de nadere medische bevindingen lijken te wijzen op sterkere beperkingen dan voor 15 februari 2002 is aangegeven, deze bevindingen (deels) dateren van na de datum in geding terwijl bovendien, gelet op het arbeidskundig rapport van 18 november 2003, gesteld moet worden dat de belasting van de geduide functies evident binnen de beperkingen van de voor appellante geldende fml blijven.

In hoger beroep is namens appellante - wederom - betoogd dat op de in geding zijnde datum sprake was van verdergaande beperkingen als gevolg van rugklachten. Appellante stelt, onder verwijzing naar de medische informatie van dr. Herz, dat sprake is van verdergaande beperkingen op de in geding zijnde datum dan op basis van de informatie uit de behandelend sector in Nederland blijkt.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad oordeelt als volgt.

Het geheel van (medische) informatie overziend is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts zich bij zijn oordeelsvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de betekenis van de van dr. Herz uit BelgiŽ afkomstige informatie omtrent appellantes rug en of en zo ja, in hoeverre appellantes toestand, zoals door dr. Herz aangetroffen en beschreven, achteraf bezien ook reeds aan de orde was op de in geding zijnde datum. Voor zover Brouns stelt dat de informatie van dr. Herz ziet op appellantes situatie van (ruim) na de in geding zijnde datum, overweegt de Raad dat dr. Herz zijn bevindingen (mede) baseert op de op 13 maart 2002, derhalve kort na de in geding zijnde datum, gemaakte MRI scans. Reeds hierom kan niet zonder meer gesteld worden dat het oordeel van dr. Herz - uitsluitend - ziet op appellantes situatie van ruim na de in geding zijnde datum. In dit verband kan er ook niet aan worden voorbijgezien dat de huisarts in zijn brief van 10 oktober 2002 reeds aangaf dat op de datum in geding sprake was van Lumbago met als pseudo radiculair aangeduide uitstraling in het been en dat zijns inziens - achteraf bezien - op basis van de MRI-scan de diagnose radiculair syndroom als gevolg van een HNP was.

Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en derhalve genomen is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit brengt mee dat het bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak, dient te worden vernietigd.

Het Uwv zal met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Voorts zal het Uwv, gelet op het gegeven dat de gemachtigde van appellante op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht heeft het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van appellante, bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad ten slotte het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op Ä 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal Ä 1.288,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van Ä 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x