Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY3860
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-07-2006
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Er is geen sprake van een precaire financiŽle situatie.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 06/3110 WAO-VV




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:


[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 augustus 2005, 04/2694 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 7 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens verzoekster heeft mr. M.C. Lugard-van Beijma, advocaat te Utrecht hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Daarnaast is namens verzoekster tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv is met bericht niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 19 april 2004 heeft het Uwv bepaald dat verzoekster geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangezien zij niet voorafgaand aan de datum in geding, te weten 7 november 2003, 52 weken (onafgebroken) arbeidsongeschikt is geweest.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dit standpunt van het Uwv onderschreven.

Bij schrijven van 22 mei 2006 is van de zijde van verzoekster aan de Raad gevraagd een voorlopige voorziening te treffen waarbij het spoedeisende karakter gelegen is in de moeilijke financiŽle situatie van verzoekster. Daartoe is het volgende aangevoerd:

Na de afwijzing van de WAO-uitkering is verzoekster door de arbodienst weer geschikt geacht om te werken. Verzoekster heeft echter nooit haar werkzaamheden hervat en heeft na 7 november 2003 geen salaris meer ontvangen. De dienstbetrekking is pas onlangs, te weten 1 juni 2006, door de kantonrechter ontbonden.

Voorts is aangevoerd dat uit de rapportage van psychiater D. Kok d.d. 28 april 2006 blijkt dat verzoekster niet in staat geacht kan en kon worden betaalde arbeid te verrichten.

Verzoekster leeft inmiddels circa 2Ĺ jaar zonder enige bron van inkomsten. Tot op heden heeft haar moeder haar financieel ondersteund. De grenzen zijn echter nu ook voor de moeder bereikt en verzoekster dreigt hierdoor in nog grotere financiŽle problemen te geraken.

De beschikbaar gekomen rapportage, gecombineerd met het eindigen van de financiŽle steun, brengen met zich mee dat verzoekster recht en belang heeft bij een voorlopige voorziening, inhoudende dat, in afwachting van een definitieve beslissing in hoger beroep, haar bij wijze van voorlopige voorziening een WAO-uitkering wordt toegekend voor de duur van de procedure.
Desgevraagd is ter zitting aangegeven dat een eerdere aanvraag voor een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen is omdat er een voorliggende voorziening bestond, namelijk de dienstbetrekking met de werkgever.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de vraag of er in casu sprake is van onverwijlde spoed overweegt de voorzieningenrechter van de Raad het volgende.

De voorzieningenrechter is op grond van het volgende niet tot de overtuiging kunnen komen dat hier sprake is van een precaire financiŽle situatie.

Verzoeksters moeder voorziet nog steeds in de kosten van levensonderhoud en van de huur van verzoekster.

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft, beslissend in een daar omtrent bestaand geschil, in de vorengenoemde rapportage van psychiater Kok aanleiding gevonden verzoekster weer in aanmerking te brengen voor de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, waarbij de boedelverplichting eveneens door verzoeksters moeder voldaan wordt.

Er loopt nu weer een aanvraag voor een uitkering in het kader van de Wwb waarop binnen zeer afzienbare tijd zal worden beslist.

De voorzieningenrechter ziet in deze situatie onvoldoende grond om te oordelen dat er sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x