Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY3968
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering. De gemaakte kosten in bezwaar en in hoger beroep.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1637 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2005, 04/774 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, in hoger beroep gekomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 24 juli 2003 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 19 augustus 2003 herzien en nader vastgesteld op minder dan 15%. Op grond hiervan is appellants WAO-uitkering met ingang van 19 augustus 2003 ingetrokken.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 maart 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het Uwv is ten slotte veroordeeld tot vergoeding aan appellant van het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten.

Nadat namens appellant hoger beroep was ingesteld heeft het Uwv bij schrijven van 20 februari 2006 aan de Raad meegedeeld een nieuwe beslissing op bezwaar, eveneens gedateerd 20 februari 2006, te hebben afgegeven waarin wordt vermeld dat de beslissing op bezwaar van 15 maart 2004 wordt ingetrokken. De mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) zal per 19 augustus 2003 onveranderd worden vastgesteld als zijnde gelegen in de klasse van 80 tot 100% in de zin van de WAO.

Namens appellant heeft mr. Vis de Raad bericht dat appellant zich met de beslissing van 20 februari 2006 kan verenigen en aan de Raad verzocht een proceskostenveroordeling uit te spreken terzake de kosten in bezwaar, in beroep en hoger beroep, alsmede het betaalde griffierecht en over de nabetaling van uitkering de wettelijke rente.

De Raad stelt vast dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de kwestie die appellant in hoger beroep aan de Raad ter beoordeling heeft voorgelegd.
Dit betekent dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad op het hoger beroep.

Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De Raad veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant verschuldigde wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995,314.

De Raad dient vervolgens antwoord te geven op de vraag of er aanleiding bestaat de door appellant gevorderde kosten te vergoeden met toepassing van 8:75 van de Awb.

De Raad overweegt dat, aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten in verband met de procedure in eerste aanleg, en mr. Vis bij brief van 16 maart 2006 de Raad heeft bericht dat deze kosten en het griffierecht door het Uwv zijn betaald, thans slechts de in bezwaar en in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan.

Wat betreft het verzoek om het Uwv te veroordelen in de kosten gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar overweegt de Raad als volgt. Het primaire besluit van het Uwv dateert van na de inwerkingtreding van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedure van 24 januari 2002 (Stb. 55), welke op 12 maart 2002 in werking is getreden, en waarbij de artikelen 7:15 en 7:28 zijn gewijzigd.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voorzover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op bezwaar.
Ingevolge artikel 7:15, vierde lid, van de Awb worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, voorzover hier van belang, is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb is hierbij van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellant reeds in zijn bezwaarschrift van 20 augustus 2003 heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar en het Uwv in hoger beroep aanleiding heeft gezien zijn beslissing op bezwaar van 15 maart 2004 te herroepen wegens inmiddels gewijzigd standpunt van het Uwv, waarmee naar het oordeel van de Raad thans vaststaat dat het besluit (alsnog) onrechtmatig was, zodat voornoemde kosten overeenkomstig het bepaalde in het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent dat de kosten voor rechtsbijstand in bezwaar worden begroot op 644,-

De Raad acht tenslotte termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) zijn begroot op 322,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in bezwaar en hoger beroep tot een bedrag van 966,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C. Tersteeg.




Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x