Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY4590
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2006
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. De financiŽle situatie van betrokkene. Er is geen sprake van onverwijlde spoed.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/3174 WAO




U I T S P R A A K




op het verzoek van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

inzake de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 oktober 2004, 04/609 (hierna: aangevallen uitspraak).

Datum uitspraak: 14 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Verzoeker heeft bij faxbericht van 18 november 2004 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij faxbericht van 27 mei 2006 heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd.

Desgevraagd heeft verzoeker bij faxbericht van 11 juli 2006 zijn verzoek toegelicht.




II. MOTIVERING


Ingevolge de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet, gelezen in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als omschreven in evengenoemd artikel 18 hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.

Ter motivering van zijn verzoek om bij wege van voorlopige voorziening het Uwv op te dragen hem een voorschot van Ä 1.000,-- netto per maand op de hem (eventueel) alsnog toe te kennen WAO-uitkering uit te betalen, heeft verzoeker aangevoerd dat zijn inkomen onder invloed van de intrekking van de WAO-uitkering, de lage inkomsten uit het eigen bedrijf en de kosten die zijn echtscheiding met zich brengen langzaam maar zeker beneden de voor hem geldende bijstandsnorm is komen te liggen.

De voorzieningenrechter overweegt dat de financiŽle situatie, zoals die door verzoeker is beschreven, veel te wensen over laat, maar dat leidt niet tot de conclusie dat er sprake is van de onverwijlde spoed die is vereist om welke voorlopige voorziening dan ook te kunnen treffen.

Het verzoek is gelet op het hiervoor overwogene kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De voorzieningenechter van de Centrale Raad van Beroep;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x