Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY4795
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Loondoorbetalingsverplichting van acht maanden wegens het zonder deugdelijke grond verrichten van onvoldoende re´ntegratie-inspanningen. Afwijzing WAO-aanvraag. Faillissement van de werkgever.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4266 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 27 mei 2005, 04/514 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H.D. van Duijvenbode, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006. Appellante en haar gemachtigde zijn, na voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 6 november 2003 heeft het Uwv aan de werkgever van appellante met toepassing van artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een loondoorbetalingsverplichting van 8 maanden opgelegd wegens het zonder deugdelijke grond verrichten van onvoldoende re´ntegratie-inspanningen ten behoeve van appellante. Tegen dit besluit is noch door de werkgever noch door appellante bezwaar gemaakt zodat deze verlenging van de loondoorbetalingsplicht van de werkgever rechtens onaantastbaar is geworden.
Met een besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de WAO-aanvraag van appellante in verband met de opgelegde loondoorbetalingsverplichting afgewezen.

Bij besluit van 23 april 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het laatstgenoemde besluit van 6 november 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en daartoe in de aangevallen uitspraak als volgt overwogen:

"Gelet op de imperatieve formulering van artikel 34a, tweede lid, van de WAO is verweerder gehouden de aanvraag van een uitkering krachtens de WAO af te wijzen indien toepassing is gegeven aan artikel 71, negende lid, van de WAO. De afwijzing van de aanvraag is uitsluitend afhankelijk gesteld van de aanwezigheid van een verlengde loondoorbetalingsplicht op grond van artikel 71, negende lid, van de WAO. Nu het besluit tot verlenging van de loondoorbetalingsplicht formele rechtskracht heeft gekregen, heeft verweerder dan ook op goede gronden de aanvraag van eiseres afgewezen.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de wet niet voorziet in een mogelijkheid op grond van een dringende reden af te zien van het opleggen van een loondoorbetalingsverplichting of van het afwijzen van de aanvraag om een uitkering krachtens de WAO. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van enig aanknopingspunt, in de wetgeschiedenis of anderszins, dat een rechtvaardiging zou kunnen vormen om niet vast te houden aan de - ondubbelzinnige - wettekst van artikel 34a, tweede lid, van de WAO."

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat appellante door de opgelegde loondoorbetalingsverplichting in combinatie met het faillissement van de werkgever achter het net vist en dat de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de WAO op grond van enig(e) beginsel(en) van behoorlijk bestuur en/of andere regels van (on)geschreven recht alsnog in behandeling dient te worden genomen.

Het Uwv heeft in hoger beroep betoogd dat het hier niet zozeer gaat om de rechtmatigheid van het bestreden besluit maar om de privaatrechtelijke gevolgen daarvan, welke gevolgen voor een deel kunnen worden opgevangen door de toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet.

De Raad oordeelt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad, onder verwijzing naar en met onderschrijving van de hiervoor weergegeven overwegingen in de aangevallen uitspraak, van oordeel dat de imperatieve formulering van artikel 34a, tweede lid, van de WAO er onmiskenbaar toe strekt dat de aanvraag van een werknemer om een uitkering ingevolge deze wet door het Uwv wordt afgewezen als aan de werkgever met toepassing van artikel 71a, negende lid, van de WAO een loondoorbetalingsverplichting is opgelegd en dat de wet voorts niet voorziet in de mogelijkheid om in bijzondere situaties hiervan af te wijken. Dat de werkgever door het faillissement niet in staat is gebleken aan zijn loonbetalingsverplichting jegens zijn werknemer te voldoen is een omstandigheid die derhalve geen rol kan spelen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x