Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY4800
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van een eerder genomen besluit. Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/4523 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 augustus 2004, 03/2776 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
  
Datum uitspraak: 19 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.J.A. Aerts, advocaat te Roermond.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Dieckema.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension- en aanverwante bedrijven.

Bij besluit van 4 juli 2003 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 19 juli 1991 waarbij het Uwv de aan appellante toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 mei 1987 heeft ingetrokken omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 25% respectievelijk 15%. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 juli 2003 bij besluit van 31 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ook in het kader van de marginale toetsing gesteld kan worden dat het Uwv in alle redelijkheid dient terug te komen op het oorspronkelijk onherroepelijk geworden besluit van 19 juni 1991. Appellante is van mening dat de expertises van de psychiater A.M.A. Groot van 22 mei 2000 en van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard van 20 december 2002 nieuwe inzichten naar voren brengen in vergelijking met de rapporten van de psychiaters Fischer uit 1986 en Huisman uit 1983. Uit het rapport van dr. Busard wordt volgens appellante duidelijk dat aan de reeds bekende diagnosen en klachten nog de diagnose fibromyalgie en een chronische pijnstoornis dienen te worden toegevoegd, welke tot meer beperkingen leiden dan eerder aangenomen.

Het Uwv stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat appellante bij haar verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. De rapportage van dr. Busard is niet als zodanig aan te merken, nu hij daarin op basis van de al bekende feiten en omstandigheden slechts tot een andere waardering van de beperkingen van appellante komt.

De Raad overweegt onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 december 2003, LJN AN9805, dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een verzoek om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit - al dan niet in volle omvang - te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook in zo’n geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en verenigt zich ten volle met de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De Raad merkt daarbij nog op dat het rapport van Groot niet als een nieuw feit is aan te merken, nu de Raad het rapport van Groot reeds heeft betrokken in de beoordeling van een eerder verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 19 juni 1991. Wat betreft het rapport van dr. Busard is de verzekeringsarts in de rapportage van 28 april 2003 op basis van een grondige analyse van dat rapport, in samenhang bezien met eerdere medische rapporten in het dossier, tot de conclusie gekomen dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden worden aangedragen die een andere kijk op de belastbaarheid van appellante in de periode in geding rechtvaardigen. Deze conclusie is onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts.
Aldus is het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad adequaat onderbouwd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de Raad die vraag ontkennend beantwoordt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x