Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY4825
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Betrokkene is geschikt voor haar eigen werk.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/4700 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 juli 2004, 03/2024 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.G. Fisher, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2006. Namens appellante is haar gemachtigde, mr. Fisher, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is werkzaam geweest als naaister voor 38 u/w. Op 29 november 1993 is zij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens buikklachten, rug-, arm- en schouderklachten en hoofdpijnklachten. Per 28 november 1994 is aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Deze uitkering is per 30 maart 2002 ingetrokken.

Op 1 april 2002 heeft appellante haar werk als naaister hervat. Per 13 mei 2002 heeft zij zich ziek gemeld wegens rugklachten. Per 1 juli 2002 heeft appellante haar werk hervat voor halve dagen op arbeidstherapeutische basis. Vanaf 2 september 2002 heeft zij weer hele dagen gewerkt. De verzekeringsarts E.R. Blom heeft appellante op 11 februari 2003 onderzocht in verband met een beoordeling in het kader van de WAO en heeft, na verkrijging van informatie van de behandelend revalidatiearts en de behandelend neuroloog, op 9 april 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is als diagnose vermeld chronische lumbago bij insufficiŽnte musculatuur, en lichte bekkeninstabiliteit, surmenageklachten en status na een operatie aan de linkerknie. Volgens Blom was appellante (arbitrair) vanaf 1 juli 2002 weer belastbaar met arbeid, zij het dat beperkingen dienen te worden aangenomen met betrekking tot veel zitten, lopen, staan, zwaar tillen en dragen, duwen, hurken en knielen, veelvuldig bukken, lang gebogen werken en klimmen. Ook heeft Blom een beperking ten aanzien van werken onder tijdsdruk aangewezen geacht. Hierbij heeft Blom opgemerkt dat, met het aannemen van deze beperkingen, geen urenbeperking aan de orde is. De voor appellante vastgestelde belastbaarheid is neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 9 april 2003. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M.F. van der Kleij arbeidskundig onderzoek verricht en hierover op 23 april 2003 gerapporteerd. Volgens Van der Kleij was appellante, gelet op de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en een beschrijving van het door appellante verrichte werk van naaister van 29 januari 2002, weer geschikt voor dit werk. Voorts heeft Van der Kleij vermeld dat appellante geschikt is te achten voor een aantal passende functies en dat op basis van de aan die functies te ontlenen loonwaarde het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.

Bij besluit van 12 mei 2003 heeft het Uwv aan appellante per 10 juni 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 16 mei 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 24 juni 2003 ingetrokken.

Tegen het besluit van 16 mei 2003 heeft appellante bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg heeft appellante op 30 oktober 2003 onderzocht en hierover op dezelfde datum een rapport uitgebracht. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst op 11 november 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is onder meer vermeld dat op basis van de door het Uwv gehanteerde Standaard verminderde arbeidsduur een urenbeperking kan worden aangenomen in verband met een verminderde energetische belasting of een verminderde beschikbaarheid dan wel vanuit preventief oogpunt. Hulst heeft in zijn rapport uiteengezet dat zich in dit geval geen van deze situaties voordoet. Hierbij heeft hij opgemerkt dat in het algemeen geldt dat lichte arbeid voor langere duur kan worden verricht dan zware arbeid en dat zowel het eigen werk van appellante als de haar voorgehouden functies als lichte arbeid kunnen worden aangemerkt. Volgens Hulst was appellante op 24 juni 2003 ten minste belastbaar volgens de belastbaarheid zoals die is beschreven in de FML van 9 april 2003. De bezwaararbeidsdeskundige A.H.T. Tee heeft hierna in een rapport van 12 november 2003 vermeld dat appellante in staat moet worden geacht om haar werk als naaister in voltijd uit te voeren, in aanmerking genomen de werkomstandigheden en de ruimte die appellante heeft om haar werkzaamheden af te wisselen. Het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2003 is bij besluit van 17 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat aan dit besluit een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt en dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Met betrekking tot de grief van appellante dat zij niet in staat is om in voltijd te werken, heeft de rechtbank overwogen, kort samengevat, dat in de door appellante overgelegde verklaringen geen medische onderbouwing wordt gegeven voor deze stelling.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat zij niet in staat is om hele dagen te werken. Hierbij heeft zij zich met name beroepen op gegevens van de Arbo-dienst van onder meer 2 september 2002, waarin is aangegeven dat er volgens de Arbo-arts wel duurzame mogelijkheden zijn, maar voor niet meer dan 50% van de werktijd.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante terecht voor haar werk als naaister geschikt is geacht. Op basis van nader arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, mocht appellante niet geschikt kunnen worden geacht voor haar werk, de mate van arbeidsongeschiktheid op 24 juni 2003 op 25 tot 35% moet worden gesteld.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank acht de Raad het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig. Hierbij merkt de Raad op dat de primaire verzekeringsarts appellante heeft onderzocht en informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector en dat ook de bezwaarverzekeringsarts een eigen medisch onderzoek heeft verricht. Het is voor de Raad niet komen vast te staan dat de bij appellante op 24 juni 2003 bestaande medische beperkingen zijn onderschat. In dit verband overweegt de Raad dat hij de door de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts gegeven motivering met betrekking tot de aangenomen (voltijds) urenbelasting van appellante, waarbij uitgebreid is uiteengezet dat niet is voldaan aan de criteria die zijn neergelegd in de Standaard Verminderde arbeidsduur, voldoende acht. Hetgeen namens appellante in dit verband is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid. Hierbij merkt de Raad nog op dat de door de gemachtigde van appellante aangekondigde nadere medische verklaring van de betrokken arboarts niet meer is ingediend.

De belasting van de door appellante verrichte functie van naaister is beschreven in een rapport van de arbeidsdeskundige W. Bonnenberg van 29 januari 2002. De Raad acht het standpunt van het Uwv dat appellante weer geschikt was voor haar werk, welk standpunt is uiteengezet in de hiervoor vermelde rapporten van de arbeidsdeskundige Van der Kleij, de bezwaarverzekeringsarts Hulst en de bezwaararbeidsdeskundige Tee, voldoende onderbouwd. Hierbij merkt de Raad onder meer op dat bij de uitoefening van de betreffende werkzaamheden vertredingsmogelijkheden bestaan en dat de vereiste mate van staan binnen de voor appellante vastgestelde belastbaarheid blijft. Nu appellante per 24 juni 2003 weer geschikt was te achten voor haar werk als naaister, kon zij per die datum niet langer als arbeidsongeschikt worden aangemerkt, zodat het Uwv haar WAO-uitkering terecht heeft ingetrokken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x