Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AY4879
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW/WAO-uitkering. Zijn de geduide functies passend? Terugvordering van het voorschot. Wettelijke rente. Recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het UWV zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens dienen te beslissen over de aan betrokkene toekomende schadevergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3938 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2004, 02/2870 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP

  
Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 3 april 2006 zijn namens appellant nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2006. Namens appellant is verschenen mr. de Roy van Zuydewijn voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellant, die de Marokkaanse nationaliteit bezit, heeft vanaf 1966 in Nederland gewerkt. Met ingang van 1 april 1994 is aan appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Na een ziekmelding is aan appellant van 13 oktober 1994 tot en met 8 februari 1995 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 8 mei 1995 heeft appellant zich met ingang van 15 februari 1995 opnieuw ziek gemeld. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek is bij besluit van 14 juni 1995 aan appellant een uitkering ingevolge de ZW met ingang van 15 februari 1995 geweigerd. In beroep heeft de rechtbank Arnhem appellant laten onderzoeken door internist dr. H.H. Vincent. Op grond van het rapport van de deskundige oordeelde de rechtbank dat er sprake was van urineweginfecties met urgente klachten en uitstralende pijn, die appellant verhinderden de in aanmerking komende werkzaamheden als productiemedewerker te verrichten. De rechtbank Arnhem heeft het beroep gegrond verklaard.
Bij brief van 7 maart 1997 heeft het Uwv aan appellant laten weten dat in deze uitspraak wordt berust. Opgemerkt wordt dat uitvoering van de uitspraak nog enige tijd kan vergen. Bij brief van 11 maart 1998 heeft het Uwv aan appellant bericht dat de maximale uitkeringsduur op grond van de ZW is bereikt op 11 oktober 1995. Het Uwv merkt op dat thans moet worden beoordeeld of appellant recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bijgevoegd is een aanvraagformulier AAW/WAO. Onder dagtekening 14 maart 1998 is dit formulier, ingevuld, door appellant aan het Uwv teruggezonden. Bij brief van 16 april 1998 heeft appellant nog aanvullende informatie opgestuurd. Op 29 april 1998 is appellant, nadat hem was aangezegd het land te verlaten, teruggekeerd naar Marokko.

Bij brief van 17 april 2000 heeft appellants gemachtigde een bezwaarschrift ingediend tegen de weigering om te beslissen op appellants aanvraag om een WAO-uitkering. Verzocht wordt tevens om een voorschotuitkering.

Op 14 september 2000 heeft de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, op basis van het dossier, een verzekeringsgeneeskundige rapportage opgesteld. Volgens Koek zijn er zowel fysiek als psychisch onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen tot volledige arbeidsongeschiktheid naar TBA-criteria en WAO-maatstaven. Er zal een onderzoek naar eventuele beperkingen en mogelijkheden moeten worden gerealiseerd om arbeidskundig het arbeidsongeschiktheidspercentage te kunnen berekenen.

Op 20 september 2000 is er een hoorzitting gehouden. Appellants gemachtigde zou daar hebben verklaard dat er sedert 1995 niets is veranderd in de medische toestand van appellant.

Aan appellant is met ingang van 11 oktober 2000 een voorschot toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 27 oktober 2000 is het bezwaar gegrond verklaard.

In maart 2001 is appellant in Marokko, in het bijzijn van de verzekeringsarts J. van Oort, op het spreekuur gezien door de arts F. Lamouri. Appellant is tevens onderzocht door de uroloog dr. K. Lahbabi. Geconcludeerd wordt tot een chronische ontsteking van de rechtertestis, een cyste van 6 mm en calcificaties van de prostraat. De nieren vertoonden geen bijzonderheden. Bij onderzoek werden geen tekenen van grove psychopathologie gevonden. Door Van Oort wordt een belastbaarheidspatroon opgesteld. Daaruit blijkt onder meer dat appellant, in verband met toiletbezoek of verzorging, beperkt wordt geacht op de items 28a en b. De medische bevindingen hebben betrekking op de actuele situatie van appellant, maar volgens Van Oort is de belastbaarheid in 1995 te vergelijken met de situatie nu. Een groot deel van de beperkingen moet, gezien het lange bestaan van de afwijkingen, al veel langer tot lichte beperkingen geleid hebben.

De arbeidskundige J. Zoetelief selecteert daarop een achttal voor appellant passend te achten functies. Op basis van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende functies afgezet tegen het maatmaninkomen van appellant, concludeert Zoetelief tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15. Bij brief van 13 september 2001 is de uitslag van de schatting aan appellant aangezegd. Bij besluit van 14 september 2001 is aan appellant per 13 oktober 1995 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de WAO geweigerd op de grond dat per die datum de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
Bij besluit van 11 oktober 2001 is van appellant een bedrag van f 129.821,25 (€ 58.910,31) aan onverschuldigd betaald voorschot teruggevorderd. Opgemerkt wordt dat niet is gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Bij brief van 15 oktober 2001 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 september 2001. Zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van dit besluit worden bestreden. Bezwaar wordt verder gemaakt tegen het niet in acht nemen van de voorgeschreven termijnen. Bij brief van 7 november 2001 is namens appellant bezwaar aangetekend tegen het besluit van 11 oktober 2001. Opgemerkt wordt onder meer dat enig onderzoek naar een dringende reden achterwege is gebleven.

Op 11 januari 2002 is ter zake van beide bezwaarschriften een hoorzitting gehouden. Door de gemachtigde wordt onder meer opgemerkt dat de beoordeling niet ziet op de medische situatie in 1995. Opgemerkt wordt verder dat er niet mag worden teruggevorderd nu appellant geen aanspraak kan maken op een vervangende uitkering (bijstand of Wajong). Verder is er wel degelijk sprake van dringende redenen, nu appellant eerstdaags een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dient aan te vragen, waarvoor een wachttijd geldt. Er ontstaat hierdoor een grotere periode waarin appellant geen mogelijkheid heeft om terug te betalen. Verwacht wordt verder dat de inkomsten van appellant zo laag zullen zijn dat hij wellicht onder de beslagvrije voet komt.

Op 19 maart 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer gerapporteerd. Cramer merkt op dat in bezwaar geen nieuwe medische gegevens zijn aangevoerd. Dat appellant af en toe een urineweginfectie heeft, die dan weer behandeld moet worden, is mogelijk, maar met antibiotica zeer goed te bestrijden. Er is geen reden te twijfelen aan het medisch oordeel, aldus Cramer.

Bij brief gedateerd 20 juni 2002 is namens appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 21 juni 2002 heeft het Uwv de bezwaarschriften tegen de besluiten van 14 september 2001 en 11 oktober 2001 ongegrond verklaard.
Bij brief van 19 juli 2002 heeft de rechtbank partijen bericht dat het besluit van 21 juni 2002 door de rechtbank is aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep van appellant mede wordt geacht tegen dit besluit te zijn gericht.

Namens appellant zijn - kort samengevat - de volgende grieven tegen het bestreden besluit aangevoerd. De weigering van de uitkering is in strijd met het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn nu er geen vervangende uitkering is. Het onderzoek is onvoldoende gericht op de situatie in 1995. Er is onvoldoende rekening gehouden met appellants psychische beperkingen. Appellant is niet in staat de geselecteerde functies te verrichten en de markeringen bij die functies zijn onvoldoende gemotiveerd. Er wordt een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, nu in een vergelijkbare zaak het Uwv niet tot terugvordering is overgegaan. Tenslotte wordt geklaagd over schending van de redelijke termijn.

De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, onder veroordeling van het Uwv tot betaling van de proceskosten ad € 80,50. Het beroep tegen het besluit van 21 juni 2002 is ongegrond verklaard.

In hoger beroep zijn namens appellant de in eerste aanleg naar voren gebrachte grieven herhaald. Ter zitting is namens appellant opgemerkt dat het belastbaarheidspatroon markeringen bevat op de punten 28 a en b. Met uitzondering van de functie productiemedewerker bevatten alle geselecteerde functies markeringen op 28 a en/of b. Een motivering waarom deze functies voor appellant geschikt zijn te achten ontbreekt.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad zal eerst ingaan op de weigering van het Uwv om aan appellant per einde wachttijd een AAW/WAO-uitkering toe te kennen. De Raad merkt dienaangaande op dat hij zich kan verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit. Wel is de Raad met appellant van oordeel dat het zorgvuldiger ware geweest de vraagstelling aan de onderzoekers in Marokko toe te spitsen op de datum in geding, maar dit gebrek kan in dit geval niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarbij acht de Raad primair van belang dat het onderzoek in Marokko op zichzelf voldoende zorgvuldig is geweest. Het door de verzekeringsarts Van Oort vastgestelde belastbaarheidspatroon geeft de in Marokko vergaarde gegevens correct weer. Essentieel is verder dat door Van Oort overtuigend is gemotiveerd dat het opgestelde belastbaarheidspatroon (ook) de belastbaarheid van appellant op de datum in geding met voldoende betrouwbaarheid weergeeft. Ten slotte acht de Raad van belang dat door of namens appellant geen gegevens in het geding zijn gebracht die de Raad hebben doen twijfelen aan de correctheid van de ten aanzien van de datum in geding vastgestelde belastbaarheid.

De Raad kan zich echter niet verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De Raad merkt op dat bijna alle functies een markering kennen op de items 28a en/of b. Uit het belastbaarheidspatroon blijkt dat appellant op deze items beperkt belastbaar is geacht. Namens appellant is met recht naar voren gebracht dat het Uwv niet heeft gemotiveerd waarom deze functies voor appellant als passend kunnen worden aangemerkt. Het bestreden besluit, en de uitspraak van de rechtbank waarbij dat besluit in stand is gelaten, komen op deze grond voor vernietiging in aanmerking.

Het vorenstaande betekent tevens dat het bestreden besluit geen stand kan houden voorzover het ziet op de terugvordering van de gesteldelijk onverschuldigd betaalde voorschotten. Uit de vernietiging van de beslissing op bezwaar met betrekking tot de weigering van uitkering blijkt immers dat dit besluit vooralsnog een als rechtmatig aan te merken moederbesluit ontbeert.

Met betrekking tot het verzoek van appellant tot veroordeling van het Uwv tot betaling van renteschade merkt de Raad op dat uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade in de vorm van wettelijke rente uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag of er termen zijn om over te gaan tot vergoeding van wettelijke rente.

Met betrekking tot de vordering van appellant tot vergoeding van de door hem als gevolg van de lange duur van de procedure geleden immateriële schade overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt voorop dat de grief van appellant over de lange duur van de procedure zich uitsluitend richt tegen het aandeel van het bestuursorgaan in de duur van de besluitvorming. De Raad stelt vast dat in dit geval de redelijke termijn is gaan lopen op 17 april 2000, de datum waarop namens appellant een bezwaarschrift is ingediend tegen de weigering om te beslissen op appellants aanvraag om een WAO-uitkering. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum van deze uitspraak zijn ongeveer 6 jaar verstreken. De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 december 2004, LJN AR7273, van oordeel dat door het Uwv de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bedoelde termijn is overschreden. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant een rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure.

Door het Uwv is gesteld dat door appellant niet aannemelijk is gemaakt dat hij als gevolg van de lange duur van de procedure een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad stelt voorop dat uit het arrest van de Grand Chamber van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Pizzati (EHRM 29 maart 2006) moet worden afgeleid dat in het geval van een schending van de redelijke termijn daadwerkelijke spanning en frustratie wordt voorondersteld. Slechts wanneer het bestuursorgaan concrete omstandigheden aandraagt die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie, of wanneer de rechter zelf dergelijke omstandigheden onderkent, zal de rechter op dit punt onderzoek moeten verrichten. Komt hij tot de conclusie dat er van daadwerkelijke spanning en frustratie geen sprake is, dan dient hij dit in zijn uitspraak vast te stellen en te motiveren. Nu het Uwv omstandigheden als hier bedoeld niet heeft aangevoerd en de Raad ook zelf dergelijke omstandigheden niet aanwezig acht, zal de Raad aan de stelling van het Uwv voorbijgaan.

De Raad concludeert dat appellant recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant aangegeven er de voorkeur aan te geven dat in dit geval de Raad niet zelf de hoogte van de vergoeding vaststelt, maar dit overlaat aan het Uwv. Na de vernietiging van het bestreden besluit door de Raad zal het Uwv immers een nieuw besluit moeten nemen, waarbij van belang is dat de daarmee gepaard gaande termijn meetelt voor de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn. De Raad ziet geen gronden om de gemachtigde in dit verzoek niet te volgen. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens dienen te beslissen over de aan appellant toekomende schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1610,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevallen;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juni 2002 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 966,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, in totaal € 1610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte recht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2006.

(get.) H.J. Simon.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x