Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5004
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Zijn de medische beperkingen onderschat? Urenbeperking?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/298 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 december 2003, 03/132 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. Y. de Froe, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2006. Appellant is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Huijzer.




II. OVERWEGINGEN


In dit geding is aan de orde of het Uwv bij besluit van 14 april 2003 (hierna: bestreden besluit) terecht het besluit van 11 juli 2002 heeft gehandhaafd waarbij is geweigerd appellante na het vervullen van de wachttijd met ingang van 14 januari 2002 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van de voor haar geldende beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van haar eigen werk van lerares in volle omvang.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel te kennen gegeven dat en op welke gronden het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldige medische voorbereiding nu het onderzoek slechts heeft bestaan uit een kort gesprek met de verzekeringsarts en in dit gesprek niet alle beperkingen aan de orde zijn geweest. Voorts is aangevoerd dat de medische beperkingen van appellante door het Uwv zijn onderschat.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad is van oordeel dat de gedingstukken geen grondslag bieden voor het standpunt van appellante dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of anderszins ondeugdelijk is geweest.
De Raad overweegt hiertoe dat appellante door de verzekeringsarts A.L. Mathoera is onderzocht en dit onderzoek blijkens diens rapportage van 20 februari 2002 één uur in beslag heeft genomen. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek en de van de bedrijfsarts verkregen informatie zijn door de verzekeringsarts diverse lichamelijke beperkingen aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts G.J. van de Meent heeft de van de zijde van appellante overgelegde brief van de neuroloog dr. E.A.C.M. Sanders van 11 september 2002 in zijn oordeelsvorming betrokken en heeft zich met de conclusies van Mathoera kunnen verenigen. Aan de Raad is aldus niet gebleken van aanknopingspunten voor het oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsarts over ontoereikende gegevens voor een verantwoorde oordeelsvorming heeft beschikt.

De Raad overweegt vervolgens dat hij, wat betreft de voor appellante op de datum in geding geldende medische beperkingen, geen reden heeft gezien te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, als neergelegd in hun rapportages van respectievelijk 20 februari 2002 en 17 maart 2003, noch aan de beperkingen zoals deze zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking niet medisch geïndiceerd is. Noch in de informatie van neuroloog Sanders van 11 september 2002, noch in de in beroep overgelegde brief van de fysiotherapeut G. Hamel van 3 april 2003, heeft de Raad objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv de (duur)belastbaarheid van appellante ten tijde in geding heeft overschat. Voorts is in hoger beroep van de zijde van appellante geen nieuwe medische informatie naar voren gebracht.

Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x