Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5011
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Is er sprake van objectieve afwijkingen? Vallen de functies binnen de vastgestelde belastbaarheid?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1138 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 16 januari 2004, 03/2656 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2006. Appellante is verschenen, in tegenwoordigheid van haar gemachtigde, mr. L. de Groot, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.M. Snijders.




II. OVERWEGINGEN


Aan appellante is in 1990 een WAO-uitkering toegekend in verband met klachten van onder meer chronische vermoeidheid, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Naar aanleiding van haar melding van toegenomen klachten per 31 januari 2001 heeft het Uwv bij primair besluit van 7 april 2003 het arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 februari 2002 ongewijzigd vastgesteld op 25-35.

Appellante heeft in haar bezwaarschrift aangegeven dat zij ernstiger beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, aangezien zij sinds oktober 2001 klachten heeft ten gevolge van het Coxsackievirus.

Bij beslissing op het bezwaarschrift van 23 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en besloten om de WAO-uitkering van appellante per 1 februari 2002 te baseren op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank s-Gravenhage het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig geoordeeld en daarbij in aanmerking genomen dat appellante geen medische stukken in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen. Wat de aan appellante voorgehouden functies betreft heeft de rechtbank geoordeeld dat die functies passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon en dat voor zover er sprake is van zogenoemde markeringen afdoende is gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep nogmaals aangevoerd dat ten onrechte in het belastbaarheidspatroon geen rekening is gehouden met de toegenomen vermoeidheidsklachten ten gevolge van het Coxsackievirus en dat deze ernstige vermoeidheidsklachten een urenbeperking rechtvaardigen. Voorts is ter zitting aangevoerd dat de belasting van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt en dat van onder andere de functie medewerker snelbraad niet gezegd kan worden dat dit fysiek lichte arbeid betreft, gelet op de belasting bij het punt tillen: 50 keer 10 kg.

Het Uwv heeft bij het verweerschrift de rapportage van 7 mei 2004 van de bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg overgelegd waarin deze ingaat op de bij de rechtbank ingediende brieven van respectievelijk 1 december 2003 van de huisarts P.T. Hutchison, 15 augustus 2003 van de internist dr. H. van Houten en 26 september 2003 van de cardioloog C.J. Begeman en vervolgens tot de conclusie is gekomen dat ook op grond van deze medische informatie de claim van appellante van toegenomen beperkingen niet gestaafd kan worden met te objectiveren afwijkingen.

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de medische beoordeling zorgvuldig is geweest en stelt zich achter de overwegingen van rechtbank terzake, waaraan hij nog het volgende wil toevoegen.
Op grond van de ter beschikking staande medische informatie, waaronder de bovengenoemde brieven van de huisarts, internist en cardioloog, ziet de Raad geen grond tot twijfel aan het vastgestelde belastbaarheidspatroon, aangezien uit al deze stukken niet blijkt van toegenomen medisch te objectiveren beperkingen op de datum in geding, te weten 1 februari 2002, die gerelateerd dienen te worden aan de door appellante gestelde toename van de vermoeidheidsklachten. Hierbij acht de Raad van belang de medische beoordeling door internist Van Houten in zijn brief van augustus 2003, die aangeeft dat hij geen afwijkingen kan vaststellen die de toename van de klachten kunnen verklaren, waarbij hij aangeeft dat de klachten zeer wel passen bij het chronisch vermoeidheidssyndroom. De in juni 2003 vastgestelde hoge titer tegen Coxsackie B4 acht hij een toevalstreffer, aangezien van dit virus bekend is dat het aanleiding geeft tot vrij langdurige moeheid en appellante reeds 13 jaar vermoeidheidsklachten heeft. De Raad ziet dan ook geen aanleiding tot twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Momberg dat er geen medisch objectieve onderbouwing is voor toename van de klachten en derhalve geen grond is voor het aannemen van zwaardere beperkingen dan reeds in het belastbaarheidspatroon zijn opgenomen.

Wat betreft de arbeidskundige beoordeling overweegt de Raad het volgende. Appellante heeft aangevoerd dat van de functie medewerker snelbraad niet kan worden gezegd dat dit een fysiek lichte functie is. Nu echter de bezwaararbeidsdeskundige in de procedure bij de rechtbank bij rapportage van 15 juli 2003 deze functie heeft laten vervallen en de theoretische schatting heeft gebaseerd op de functies van kartonnagewerker, samensteller van metaalproducten en printplatenmonteur, ziet de Raad geen aanleiding om deze grief nader te bespreken. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante, gelet op het belastbaarheidspatroon, ten tijde in geding in staat geacht moet worden tot het verrichten van de aan die functies verbonden werkzaamheden, en stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake.
De markeringen bij de functies van kartonnagewerker en samensteller van metaalproducten op de punten werken onder tijdsdruk en dwingend werktempo acht de Raad voldoende gemotiveerd in de rapportages van 16 januari 2002 van de verzekeringsarts Daoud-Oskamp en van 10 april 2003 van bezwaarverzekeringsarts Momberg en bezwaararbeidsdeskundige P.G. Dekker. Op het punt van tillen overschrijdt de belasting in de voorgehouden functies de in het belastbaarheidspatroon vastgestelde belastbaarheid van appellante niet en is dan ook geen zogenoemde markering vermeld.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x