Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5014
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schorsing en intrekking van de WAO-uitkering. Zijn de besluiten ontvangen? Betrokkene is doordeweeks opgenomen geweest en was alleen de weekenden thuis.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/1035 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 januari 2006, 05/2482 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 25 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K. Herder, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H Nuyens. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toen appellant om reden dat hij een op 5 september 2002 aan betrokkene gestuurd inlichtingenformulier niet terug ontving, bij besluit van 28 november 2002 de betaling van de WAO-uitkering met ingang van 1 december 2002 schorste en bij besluit van 24 maart 2003 deze uitkering introk met ingang van 10 oktober 2002.

Betrokkene heeft bij brief van 20 oktober 2004 appellant om inzage verzocht in haar WAO-dossier in verband met een mogelijke procedure. Appellant heeft bij brief van 27 oktober 2004 de op 26 oktober 2004 telefonisch met betrokkene gemaakte afspraak bevestigd dat aan haar kopieën van stukken uit het claim en medisch dossier zouden worden toegezonden. De gemachtigde van betrokkene heeft bij brief van 23 februari 2005 onder andere aan appellant meegedeeld dat de betaling van de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van december 2002 is beëindigd zonder dat betrokkene daarover een besluit ontvangen heeft. De gemachtigde heeft voorts gesteld dat zij uit het reeds aan betrokkene toegestuurde dossier niet de reden van niet-betaling van de WAO-uitkering heeft kunnen achterhalen en heeft nogmaals om toezending van de stukken uit het claim en medisch dossier verzocht. Bij brief van 11 maart 2005 heeft appellant de gemachtigde van betrokkene onder andere meegedeeld haar afschriften van de correspondentie over de beëindiging van de WAO-uitkering te zullen toezenden. Bij brieven van 16 maart 2005 is namens betrokkene bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 28 november 2002 en 24 maart 2003 (hierna: de primaire besluiten). Desgevraagd door appellant is namens betrokkene op 14 april 2005 aangegeven niet tijdig bezwaar te hebben gemaakt omdat betrokkene de primaire besluiten eenvoudigweg nimmer heeft ontvangen.

Bij besluit van 8 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard omdat de gestelde niet-ontvangst van de primaire besluiten zo uitzonderlijk is dat appellant zulks niet aannemelijk acht en omdat betrokkene als gevolg van stopzetting van de feitelijke betaling op de hoogte kon zijn van de genomen besluiten.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene tegen de primaire besluiten. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding door appellant aan betrokkene van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat appellant het bezwaar tegen de primaire besluiten ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. Zij heeft onder andere overwogen dat vaststaat dat de primaire besluiten niet zijn uitgereikt dan wel aangetekend of met een bevestiging van ontvangst zijn verzonden en dat volgens vaste jurisprudentie het risico van een dergelijke handelwijze in beginsel voor rekening van appellant komt. Terzake van de motivering van het bestreden besluit overwoog de rechtbank in de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder en betrokkene als eiseres zijn aangeduid, als volgt:

“Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat de omstandigheid dat eiseres beide beslissingen niet zou hebben ontvangen zodanig uitzonderlijk is dat het niet aannemelijk is dat de besluiten eiseres niet zouden hebben bereikt.
De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Nu niet kan worden uitgesloten dat beide besluiten eiseres niet hebben bereikt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bewijsrisico in casu niet voor rekening van verweerder zou komen.”

en

“Nog daargelaten het feit dat eiseres heeft gesteld dat zij de stopzetting van de betaling niet heeft opgemerkt, is de rechtbank van oordeel dat, zo eiseres zulks wel zou hebben gemerkt, daarmee niet de conclusie gerechtvaardigd is dat eiseres op de hoogt kon zijn van de besluiten van 28 november 2002 en 24 maart 2003. Het stopzetten van de betaling zou een vermoeden bij eiseres hebben kunnen veroorzaken dat er een besluit met betrekking tot haar uitkering was genomen. Uit niets is echter gebleken dat eiseres, bijvoorbeeld in een telefoongesprek met een medewerker naar aanleiding van de stopzetting van de betaling of op enige andere wijze, op de hoogte is geraakt van de besluiten.
De rechtbank kan verweerder derhalve niet volgen in de stelling dat eiseres ten gevolge van het stopzetten van de uitkering op de hoogte kon zijn van de genomen besluiten.”

In hoger beroep heeft appellant in essentie het in het bestreden besluit neergelegde standpunt herhaald. Betrokkene heeft in het verweerschrift volhard in haar stelling dat zij de beide primaire besluiten destijds niet heeft ontvangen.

De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak. Hij voegt daaraan nog toe dat ter zitting van de zijde van betrokkene is verklaard dat zij na maart 2002 tot in 2004 met enkele onderbrekingen op doordeweekse dagen, waaronder in december 2002, opgenomen is geweest en alleen in de weekeinden thuis was, reden waarom zij in verband met verminderde financiële behoeften vanwege die opname de stopzetting van de WAO-uitkering, welke zij ontving naast een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet waarop het overgangsregime op grond van de voorheen geldende Algemene Weduwen- en Wezenwet van toepassing was, en loon van haar voormalige werkgever, niet heeft opgemerkt. Voorts is de Raad, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet gebleken dat betrokkene van de primaire besluiten reeds kennis heeft kunnen nemen bij gelegenheid van de ontvangst in het najaar van 2004 van het door haar gevraagde dossier.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 20,90 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 664,90.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 664,90 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.S.G. Staal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x