Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5126
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er zijn geen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1282 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2004, 03/876 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 14 oktober 2002 is geweigerd aan appellant per 11 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij besluit van 3 februari 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het evenvermelde besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder overweging dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts. Hetgeen in beroep is aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de onderzoeken van het Uwv niet, althans onvoldoende, gericht waren op zijn situatie per einde wachttijd. Appellant is van oordeel dat het Uwv geen juist beeld heeft van de lawaaidoofheid per de datum in geding. Ten onrechte is er geen nieuw (onafhankelijk) onderzoek gedaan naar de beperkingen ten gevolge van de lawaaidoofheid.

De Raad overweegt als volgt.

Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts H. Nouri op basis van een zorgvuldig onderzoek tot de conclusie is gekomen dat voor appellant geen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid gelden. Deze conclusie is door bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink onderschreven. Weegink heeft in de heroverweging de - in bezwaar aangegeven - gehoorklachten betrokken en zich op het standpunt gesteld dat de werkgever in het kader van de Arbo-wet zorg dient te dragen voor gehoorbescherming.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken geen grondslag bieden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. De Raad ziet geen aanleiding voor het doen instellen van een nader medisch onderzoek naar de gehoorklachten nu deze klachten door de bezwaarverzekeringsarts in de beoordeling zijn betrokken en er van de zijde van appellant geen nadere medische gegevens zijn overgelegd die een ander licht werpen op zijn gezondheidssituatie.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigt dient te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x