Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5135
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering per einde wachttijd omdat betrokkene voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is bevonden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3213 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 mei 2004, 03/1435 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitvoeriger overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.
De Raad volstaat met de vermelding dat het bestreden besluit van 11 november 2003 op het standpunt berust dat appellant in aansluiting op de wachttijd van 52 weken weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, waardoor appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de in rubriek I aangehaalde uitspraak ongegrond verklaard.

Appellant kan zich niet met deze uitspraak verenigen. Appellant heeft, onder verwijzing naar gegevens uit de behandelend sector, naar voren gebracht dat de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet juist is en hij het onbegrijpelijk vindt dat hij geschikt wordt geacht voor door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, die in een fulltime dienstverband moeten worden verricht terwijl hij zijn huidige (aangepaste) functie van 19 uur per week slechts met moeite kan volhouden. Bovendien is appellant van mening dat de geduide functies ten opzichte van zijn huidige (aangepaste) functie te belastend zijn, temeer omdat hij in deze laatste functie voldoende mogelijkheden heeft om zich te vertreden. Voorts heeft appellant aangevoerd dat zijn medische situatie medio juli 2003 niet is verbeterd maar juist verslechterd, met name wat betreft de rugklachten, waarbij hij in toenemende mate ongemak en pijn heeft bij zowel zitten als staan.

De Raad ziet deze grieven in navolging van de rechtbank niet slagen. Voor wat betreft het medische gedeelte kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het geneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest. Op grond van de omtrent appellant beschikbare medische informatie kan niet worden geoordeeld dat zijn beperkingen door gedaagde niet juist zijn gewaardeerd. Uit de aan de bestreden besluitvorming ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige gegevens komt naar voren dat de verzekeringsarts, J.F.M.M. van der Hart, bij het opstellen van de FML rekening heeft gehouden met zowel naar aanleiding van de anamnestische gegevens naar voren gekomen beperkingen, als met objectieve medische gegevens. Voorts heeft bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen informatie ingewonnen bij orthopedisch chirurg L.A.J. Rasing en is zij mede gelet op de informatie van de kant van de behandelend chiropracter en van de huisarts tot de conclusie gekomen dat de door de verzekeringsarts Van der Hart vastgestelde belastbaarheid geen bijstelling behoeft. Gelet op deze belastbaarheid wordt appellant geschikt geacht voor rugsparende werkzaamheden. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die steun verlenen aan zijn eigen opvatting dat voor hem meer of zwaardere beperkingen dienen te gelden. In dat verband overweegt de Raad dat hij in de in het dossier aanwezige gedingstukken, evenmin als gedaagde en de rechtbank, aanknopingspunten heeft gevonden om een urenbeperking tot maximaal 19 uur per week aan te nemen. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet is kunnen blijken van objectief-medische aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat appellants beperkingen zijn onderschat.

De Raad is voorts van oordeel dat, gelet op de in het Resultaat Eindselectie omschreven verwoordingen van de functies van 18 juni 2003 en de hierin beschreven belasting alsmede de rapportage “overleg VA - AD - afwijkende functiebelasting” de door de arbeidsdeskundige van het Uwv geselecteerde functies aan de beperkingen opgenomen in de FML voldoen.

Nu de Raad ook voor het overige, in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen aanleiding heeft om het bestreden besluit niet voor juist te houden, volgt uit het bovenstaande dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x