Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5136
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/2297 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 maart 2004, 03/596 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Zouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. de Groot.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, die laatstelijk werkzaam was als lasser, is op 2 mei 1996 uitgevallen wegens longklachten en klachten van het bewegingsapparaat (rug en schouders). Per einde wachttijd, 1 mei 1997, is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

In het kader van een herbeoordeling heeft verzekeringsarts J.T.J.A. Klijn op 20 maart 2002 appellant onderzocht en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin beperkingen ten aanzien van zware rug- en kniebelasting en schouderbelasting rechts zijn vastgelegd. Appellant is voorts aangewezen op goede klimatologische omstandigheden in een allergeen vrije omgeving. Vervolgens zijn door arbeidsdeskundige C.M. van de Ven overeenkomstig deze FML functies geduid en is het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 53,89%.
Bij besluit van 24 september 2002 is appellant meegedeeld dat met ingang van 1 mei 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd 45-55% blijft.

Appellant heeft zich niet met deze beslissing kunnen verenigen en heeft in bezwaar aangevoerd dat hij als gevolg van zijn medische beperkingen toegenomen arbeidsongeschikt is waardoor hij niet in staat is om de geduide functies te kunnen verrichten. Ter ondersteuning hiervan is medische informatie van het Amphia Ziekenhuis overgelegd. Verzekeringsarts Klijn heeft appellant opnieuw onderzocht en is daarbij tot de conclusie gekomen dat de medische situatie ten opzichte van 20 maart 2002 onveranderd is gebleven. Bij besluit van 21 november 2002 is herziening van de WAO-uitkering geweigerd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid niet is toegenomen. Ook hiertegen is bezwaar gemaakt.
Appellant heeft vervolgens medische informatie van de huisarts overgelegd, alsook een telefonische toelichting gegeven naar aanleiding van de uitslag van een röntgenfoto van de rechterknie, waarna de bezwaarverzekeringsarts A.W.M. Korzilius op basis van deze gegevens en de informatie verkregen uit de hoorzitting aanleiding heeft gevonden om de FML wegens ernstigere beperkingen van de cervicale wervelkolom op de aspecten dynamische handelingen en statische houdingen aan te passen. Vervolgens heeft arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden en is een mate van arbeidsongeschiktheid van 56,5% vastgesteld. Bij besluit van 12 februari 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar gegrond verklaard en is met ingang van 1 mei 2002 een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65% vastgesteld.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep zijn namens appellant de eerder in de procedure naar voren gebrachte grieven herhaald en is medische informatie van orthopedisch chirurg C.W. Jolles in geding gebracht. Ter zitting heeft gemachtigde voorts aangevoerd dat de vingerklachten onderbelicht zijn gebleven, nu deze klachten hebben geleid tot de diagnose van de ziekte van Raynaud.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank, ziet de Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest, is de informatie uit de behandelende sector meegewogen en is in de FML in voldoende mate rekening gehouden met alle klachten van appellant. De Raad stelt in dat kader vast dat de bezwaarverzekeringsarts Korzilius naar aanleiding van de informatie van de huisarts de FML op diverse aspecten heeft aangescherpt; de andersluidende stelling van appellant mist feitelijke grondslag. Hetgeen de gemachtigde ter zitting heeft aangevoerd met betrekking tot de ziekte van Raynaud, heeft de Raad niet tot een ander oordeel doen leiden, temeer nu met deze enkele diagnose niet aannemelijk is gemaakt dat de beperkingen op de datum in geding niet juist zijn vastgesteld.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting verenigt de Raad zich eveneens met hetgeen hieromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen. Door de bezwaararbeidsdeskundige P. Blom zijn op basis van de aangepaste FML de functies opnieuw bezien en is inzichtelijk gemaakt dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies op de datum in geding voldoende actueel waren en door appellant met zijn beperkingen konden worden vervuld. Vastgesteld kan worden dat appellant geschikt moet worden geacht voor de voor hem geselecteerde functies, waarmee de schatting op goede gronden berust.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x