Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5210
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering, welke was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1970 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 maart 2004, 2003/504 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft B.J. Terlouw, van Terlouw Advies te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn opvolgend gemachtigde C.A. Reuter, van de Stichting Gedupeerde Arbeidsongeschiktheids Slachtoffers (GAOS) te Zoutelande. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Mostert.




II. OVERWEGINGEN


Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het Uwv terecht de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, heeft ingetrokken met ingang van 5 juni 2002.

Aan dat besluit ligt verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag. Op grond van een multidisciplinair rapport van de revalidatiearts A.M.T.M. Derks en anderen van het Rug AdviesCentrum van 6 augustus 2001, waarin onder meer is vermeld dat de eerder bij appellant gestelde diagnose chronische pancreatitis was verlaten en dat bij appellant geen echt objectieve afwijkingen waren gevonden, heeft de verzekeringsarts besloten een psychiatrische expertise te doen verrichten door de zenuwarts G.J.F. Kemperman. Deze heeft vastgesteld dat zich bij appellant een (deels) onvoldoende verklaard klachtenbeeld voordoet. Het beeld is volgens hem, met enige twijfel, in termen van de DSM te classificeren als een ongedifferentieerde somatoforme stoornis.
De prognose, na adequate behandeling, achtte hij goed omdat het niet gaat om een psychiatrische aandoening die tot defecten aanleiding geeft. Kemperman heeft kennis genomen van informatie van de internist prof. dr. P. Pop, die na onderzoek van appellant tot de conclusie was gekomen dat bij appellant geen sprake was van afwijkingen aan de pancreas. Zijn diagnose luidde: elkaar overlappende ziektebeelden irritable bowel syndroom en chronischevermoeidheidssyndroom. Naderhand ontvangen informatie van de huisarts van appellant heeft geen wijziging gebracht in de conclusies van Kemperman.

De verzekeringsarts heeft het rapport van Kemperman met appellant besproken en zich vervolgens geconformeerd aan de diagnose van Kemperman en de door hem aangegeven beperkingen ten aanzien van gangbare arbeid, te weten: werken onder tijdsdruk, conflicterende functie-eisen, conflicthantering, monotoon werk en verantwoordelijkheid. De beperkingen zijn nader omschreven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

In het kader van het arbeidskundig onderzoek heeft de arbeidsdeskundige contact gehad met de werkgever. Daaruit bleek dat de vroegere functie van appellant was ďweggesaneerdĒ, maar dat hem een functie van medewerker Netontwerp in het vooruitzicht werd gesteld waarmee hij middels reÔntegratie kon toegroeien naar zijn vroegere salarisniveau. De arbeidsdeskundige achtte de aangeboden functie gelet op de beperkingen en bekwaamheden van appellant passend. Appellant werd niet meer ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie.
In overeenstemming daarmee is de uitkering per 5 juni 2002 beŽindigd. Het bezwaar van appellant daartegen is bij besluit van 27 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad, met de rechtbank, dat de medische gegevens in het dossier geen grondslag bieden voor de stelling dat bij appellant gezien zijn beperkingen sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren waardoor hij volledig arbeidsongeschikt geacht moet worden. Er heeft naar het oordeel van de Raad een zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsarts plaatsgevonden. Deze heeft zijn medisch oordeel mede gebaseerd op de rapportages van dr. Pop, het Rug AdviesCentrum en Kemperman. De Raad onderschrijft de mening van de bezwaarverzekeringsarts dat de verzekeringsarts duidelijk en op correcte wijze heeft beargumenteerd waarom appellant nu geschikt wordt geacht voor gangbare arbeid. Appellant onderbouwt zijn stelling ook in hoger beroep niet met medische gegevens. De in hoger beroep overgelegde brief van de psychiater M.J.E. Stassen geeft geen steun aan de stelling van appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt is. De brief van de GGD-arts J.R.H. Bosch kan evenmin tot een ander oordeel leiden, omdat diens conclusie dat appellant geen reŽel aanbod voor de arbeidsmarkt is, betrekking heeft op de datum van onderzoek 1 september 2004, dus ver na de datum hier in geding. De Raad vermag voorts niet in te zien dat het feit dat het onderzoek van Kemperman plaatsvond in het gebouw van het Uwv afbreuk doet aan de waarde van diens medisch oordeel. De Raad acht zich alles overziende voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen. Op grond van de voorliggende medische gegevens neemt de Raad aan dat de juiste beperkingen in acht zijn genomen. Dat appellant zijn klachten als niet minder ernstig ervaart dan voorheen, kan daar niet aan afdoen, nu de subjectieve beleving van klachten niet van doorslaggevende betekenis kan zijn.

De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat appellant met zijn beperkingen op de datum in geding weer in staat was zijn eigen maatgevende arbeid te verrichten. Nu de werkgever aan appellant werk heeft aangeboden dat wat beloning en belasting betreft overeenkwam met de inmiddels opgeheven maatmanfunctie, heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellant niet meer arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO en de WAO-uitkering terecht met ingang van 5 juni 2002 ingetrokken.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x