Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AY5211
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van het voorschot op de WAO-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1979 WAO en 04/6826 WAO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 5 maart 2004, kenmerk 03/166 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 2 november 2004, kenmerk 04/6826 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


In elk van de beide gedingen heeft appellante hoger beroep ingesteld en heeft het Uwv een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. G.A. Tellinga.




II. OVERWEGINGEN


Geding 04/1979 WAO

Bij besluit van 8 mei 2001 is aan appellante per 17 april 2001 en naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer een voorschot verstrekt op een eventueel te verlenen uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij is aangetekend dat, indien verrekening van het voorschot met een andere uitkering niet mogelijk zal blijken te zijn, appellante het teveel betaalde voorschot zal moeten terugbetalen.
Bij besluit van 15 januari 2002 is aan appellante per 17 april 2001 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% toegekend. Tegen dat besluit is appellante niet in rechte opgekomen, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Bij besluit van 11 juni 2002 is van appellante € 5.534,81 netto teruggevorderd als teveel aan haar betaald over de periode van 17 april 2001 tot 1 februari 2002 onder overweging dat zij vanaf 17 april 2001 had kunnen weten dat zij geen recht had op het (gehele) ontvangen bedrag.

Bij besluit van 28 januari 2003 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 juni 2002 ongegrond verklaard onder handhaving van de overweging dat zij vanaf 17 april 2001 had kunnen weten dat zij geen recht had op het (gehele) ontvangen bedrag, zulks onder aantekening dat de arbeidsdeskundige haar bij brief van 24 juli 2001 heeft meegedeeld dat zij per 17 april 2001 dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25%, en dat er geen dringende reden is om van herziening of van terugvordering af te zien.

Bij de aangevallen uitspraak 1 is het beroep van appellante tegen het besluit van 28 januari 2003 ongegrond verklaard onder overweging - voorzover hier van belang - dat de onverschuldigdheid van de betalingen vaststaat, dat de terugvordering wettelijk verplicht is, dat er geen sprake is van een dringende reden om af te zien van terugvordering, dat gelet op de inhoud van het besluit tot verstrekking van het voorschot appellante niet kan worden gevolgd in haar stelling dat haar niet duidelijk kon zijn dat het Uwv de voorschotten kon terugvorderen en tot slot dat het Uwv heeft voldaan aan het wettelijke vereiste dat het besluit tot terugvordering eveneens de wijze van invordering behelst.

In hoger beroep heeft appellante erkend dat het Uwv verplicht was tot terugvordering van hetgeen teveel aan voorschot aan haar is uitbetaald, maar gesteld dat het Uwv heeft nagelaten een spoedig besluit tot terugvordering te nemen als gevolg van een verschil van mening tussen het voormalige Cadans wat de WAO-uitkering betreft en het voormalige GAK wat de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) betreft. Voorts heeft appellante gesteld dat het besluit tot verstrekking van het WAO-voorschot haar niet duidelijk is geweest, terwijl de arbeidsdeskundige haar in zijn (hiervoor aangehaalde) brief van 24 juli 2001 niet heeft gewezen op de gevolgen van indeling in die klasse voor het aan haar verstrekte voorschot. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat het Uwv aan haar weliswaar inlichtingen over invordering heeft verstrekt, maar geen invorderingsbeslissing heeft genomen.

De Raad deelt de door appellante ingenomen standpunten niet en overweegt daartoe als volgt.

De voor het Uwv wettelijke verplichting tot terugvordering van hetgeen aan appellante onomstreden teveel is betaald, staat niet ter discussie.
Van een dringende reden als bedoeld in artikel 57 van de WAO kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel slechts sprake zijn, indien terugvordering voor de verzekerde tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Het moet dus gaan om een incidenteel geval waarin iets bijzonders aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden dient te worden gemaakt. In het thans aanhangige geval is de Raad van zodanige gevolgen niet kunnen blijken. Overigens heeft het Uwv ter zitting -onweersproken - verklaard dat appellante het teruggevorderde bedrag inmiddels volledig heeft terugbetaald (zulks in overeenstemming met een door appellante gedaan voorstel); die situatie wijst niet in de richting van onaanvaardbaarheid van de gevolgen van de terugvordering voor haar.
Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat het besluit van 8 mei 2001 tot maandelijkse verstrekking van een voorschot aan duidelijkheid over de gevallen waarin hetgeen teveel zal blijken te zijn betaald, zal worden verrekend of anders zal moeten worden terugbetaald, niets te wensen overlaat.
Het moet appellante volstrekt duidelijk zijn geweest dat het daarbij ging op een (maandelijks) voorschot op een eventueel toe te kennen WAO-uitkering. Desgevraagd heeft het Uwv ter zitting verklaard dat weliswaar ten tijde van de hiervoor aangehaalde brief van de arbeidsdeskundige van 24 juli 2001 ook bij het Uwv duidelijk was dat de (eventueel) toe te kennen WAO-uitkering aanmerkelijk minder dan 80% of meer (15-25%) zou gaan bedragen, maar het maandelijks verstrekken van een voorschot is voortgezet met het oog op de door appellante aangevraagde en (eventueel) toe te kennen (en later op basis van 20 in plaats van 32 uur per week toegekende) WW-uitkering. Dat laatste had toen aan appellante behoren te zijn meegedeeld, maar in die omissie, de daardoor bij appellante mogelijk ontstane verwarring en het niet voorziene feit dat de WW-uitkering vanwege het in aanmerking te nemen aantal uren per week (20 in plaats van 32) aanmerkelijk lager uitviel dan aanvankelijk gedacht, ziet de Raad onvoldoende aanleiding om de wettelijke plicht tot terugvordering van het teveel aan WAO-voorschot betaalde opzij te zetten.
Verder deelt de Raad het oordeel en de motivering van de rechtbank met betrekking tot de grief van appellante dat wat de - inmiddels niet meer aan de orde zijnde - invordering betreft niet aan de eisen van artikel 57, vijfde lid, van de WAO is voldaan.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet, terwijl voor een proceskostenveroordeling geen termen aanwezig zijn.



Geding 04/6826 WAO

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, van oordeel dat er geen procesbelang meer is, het beroep van appellante tegen het niet tijdig hebben genomen van een beslissing op het door haar tegen het primaire besluit van 8 juli 2003 ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk en het beroep tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar van 16 februari 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar gronden tegen het door het Uwv afgewezen verzoek tot vergoeding van de schade die bestaat uit het verschil van € 1.059,37 tussen enerzijds het bedrag dat van haar is teruggevorderd als teveel aan haar als voorschot op een (eventueel) toe te kennen WAO-uitkering is betaald en anderzijds het bedrag dat (kennelijk) aan WW-uitkering aan haar is toegekend en uitbetaald. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet kan worden gesproken van schade, daar iedere aanspraak op een uitkering op eigen merites dient te worden beoordeeld.
De Raad kan zich vinden in dat oordeel en die motivering, zodat te dien aanzien het hoger beroep faalt.

Overigens is in dit geding nog aan de orde de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante tegemoet te komen in de proceskosten die zij heeft gemaakt door bij de rechtbank bij brief van 30 januari 2004 in beroep te gaan tegen het niet tijdig hebben genomen van een besluit op het door haar tegen het primaire besluit van 8 juli 2003 ingediende bezwaarschrift.
Ter zitting heeft het Uwv te kennen gegeven in de uitspraak van de Raad van 13 juni 2005, kenmerk 04/1061 NABW (LJN AT7364; JB 2005, 239) aanleiding te zien haar bezwaar tegen die toekenning te laten varen, zulks onder aantekening dat het in de rede ligt om in dit geval een proceskostenvergoeding met factor 0,25 toe te kennen.
Nu het Uwv korte tijd later (bij besluit van 16 februari 2004) alsnog een zogenoemde reλle beslissing op het bezwaarschrift heeft genomen, ziet de Raad aanleiding om - zoals in zaken als deze te doen gebruikelijk - factor 0,25 toe te passen.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak 2 dient te worden vernietigd voorzover daarbij is geweigerd een proceskostenvergoeding (met factor 0,25) toe te kennen. De Raad zal hierna overgaan tot een proceskostenveroordeling ten bedrage van € 80,50.
Voorts acht de Raad termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 322,-- en tot vergoeding van het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ad in totaal (€ 29,-- + € 102,-- =) € 131,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1;
Vernietigt de aangevallen uitspraak 2 voorzover daarbij is geweigerd een proceskostenvergoeding toe te kennen;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 2 voor het overige;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van in totaal € 402,50--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het griffierecht van in totaal € 131,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x